Brusselmans versus Vitalski

Op 18 mei 1922 kwamen James Joyce en Marcel Proust naast elkaar te zitten op de achterbank van een luxueuze taxi in het hartje van Parijs. "De hele dag lang heb ik zo'n erge koppijn... En mijn ogen, die doen aldoor zo'n pijn," aldus kreunde James Joyce meteen. "O mijn maag," zei Proust daarop. "Ik heb zo'n pijn aan mijn maag altijd..." Ogenblikkelijk hierna namen beide flapdrollen weer afscheid van elkaar.
Door Vitalski op 24 jun 2009
Tekst

Brusselmans versus VitalskiOp 18 mei 1922 kwamen James Joyce en Marcel Proust naast elkaar te zitten op de achterbank van een luxueuze taxi in het hartje van Parijs. "De hele dag lang heb ik zo'n erge koppijn... En mijn ogen, die doen aldoor zo'n pijn," aldus kreunde James Joyce meteen. "O mijn maag," zei Proust daarop. "Ik heb zo'n pijn aan mijn maag altijd..." Ogenblikkelijk hierna namen beide flapdrollen weer afscheid van elkaar.

De manier waarop auteurs elkaar niet kunnen verdragen, is boeiender dan de manier waarop zij elkaar met siroop overgieten. Gedenken we bijvoorbeeld ook nog de zopas uitgegeven briefwisseling tussen Hermans en Reve: het obstinaat, zegge maar op het militante af zo erg ontwijkende van de eerste, versus het buitensporig geduldige zich opdringen van de tweede. Het enige dat Hermans op de duur nog noteert, in de marge van de briefomslagen van Reve: "Niet meer op antwoorden!!"

Vorige maand spreidde ik hier een succesvol essay ten berde betreffende het gekrakeel tussen de dichter Paul Snoek en zijn onwillige kapelmeester Hugo Claus. Vandaag verdient de lezer een nog meer persoonlijke inkijk op letterkundig moddergooien, en plaats ik derhalve mijzelf, Vitalski het Slangenmens, uitvinder van de humor, tegenover Brusselmans Herman, Straaljager der Vlaamse literatuur. Met uiteraard mijzelf in de hoofdrol, - dit juist uit bescheidenheid, daar het zeker nog meer aanmatigend is, over een ander te schrijven dan over zichzelf.

Als kind publiceerde ik af en toe (vijf keer per jaar, dus iedere twee maanden, behalve in de zomer) een zelfgetekend stripverhaaltje in de plaatselijke gazet van mijn betreurde Grootvader; deze publicaties in 'Het Konijnenbergske' niet meegerekend, deed de allereerste verschijning van mijn personage in de gedrukte pers van Vlaanderen zich pas voor in april '89, - opgetekend, volgens mijn staatssecretaris, door een journalist die ik nog altijd niet mag, geheten Danny Illegems (ik weet niet of de spelling juist is...) Het intussen gelukkig ter ziele gegane magazine Panorama tekende volgende uitspraak over mij op, uit de mond van Brusselmans: "Een arrogante etter, die met zijn Shelleyaanse nepkapsel vergeefs probeert indruk te maken."

Hoewel mijn naam noch familienaam erbij vermeld schenen, - ik was er toen ongeveer achttien, niemand kende mij vooralsnog, - toch nam ik aan dit gestrenge verdict uiteraard ten allerzeerste aanstoot. Een maand tevoren had ik met gemengde gevoelens Brusselmans' semi-debuut 'De Man Die Werk Vond' gelezen. Meteen toen reeds dacht ik: zijn personage, die zekere 'Louis Tinner' over wie hij schrijft, is té duidelijk een afkooksel van Frits van Egters. En dat klopte ook, maar pas nu zou, met dat zekere inzicht, de kous Brusselmans voor mij af zijn, voor een ongerijmd lange tijd.

Pas een flink decennium later kwam overigens het inzicht tot mij dat Brusselmans die allereerste keer eigenlijk volkomen gelijk had: ik wàs die avond effectief een blaaskaak. Hopend zo vlug mogelijk zélf een superster te worden, had ik de Kluizenaar van Gent voor relatief veel geld een optreden aangeboden, juist op het toppunt van zijn allergrootste doorbraak (in Vlaanderen wilde 'doorbreken' in die tijd zeggen: beschermd worden door televisiemaker Mark Uytterhoeven, - een soort Matthijs van Nieuwkerk, zij het katholieker...); dus ik programmeerde Brusselmans, doch niet zonder, heimelijk, mijzelf in zijn voorprogramma te plaatsen. Met een act die bovendien totaal belabberd was. Door een gebrek aan zelfvertrouwen was ik die avond onafgebroken aan het doen geweest alsof ik dronken was - een vriend van me had ik gevraagd, mij af en toe kraantjeswater te komen brengen in een fles whisky...

In de stormachtige jaren die volgden, ben ik Brusselmans steevast tegen zijn schenen blijven trappen, bij iedere minste kans die zich voordeed. In De Morgen stelde journalist Bert Bultinck mij eens een keer de vraag: "Wat is er misgelopen tussen jullie beiden?" Waarop mijn toch schitterende repliek: "Ik begrijp het ook niet; ik heb hem laten weten, ertoe bereid te zijn hem desnoods onbetaald een paar schrijflessen te bezorgen. Wat kan ik nog meer doen voor hem?" Brusselmans citeerde deze repliek in het eveneens weer failliet gegane maandblad Deng: "Die Vitalski wil mij les geven - en hij bedoelt dat niet eens ironisch!" "Wat heeft hij tegen u?" "Ik weet het niet, hij zal wel jaloers zijn. Hij wordt overal uitgelachen." Mijn enige overwinning op Brusselmans ooit: de grootmeester in ironie, hier toch niet bij machte mijn eigen ironie te onderkennen ('ironisch' nochtans betekenend:'gemaskerd', toch??), plus daarenboven zijn platitude om zich te beroepen op zijn succes, meer niet. Claus zei het op zijn sterfbed: "Gelauwerd worden, is onkies."

In het begin van het jaar tweeduizend scheen ik ook zelf wat rijker en beroemder; toen stak, hoe kan het ook anders, mijn ware natuur zijn hoorntjes op; altoos zwijgzaam en nederig ben ik wanneer daar de langdurige, magere koeien in de vitrine staan; van zodra ik echter een béétje macht krijg toebedeeld, word ik een superlul, het is niet anders. In een rijkelijk geïllustreerd interview van vijf pagina's in Knack gaf ik Brusselmans een paar afgrijselijke knietrappen onder zijn gordel. "Wat heb je tegen hem," vroeg Anna Luyten. "Ten eerste," zo stelde ik, "Hij schrijft over vrouwen terwijl hij daar geen ervaring mee heeft. Toch zeker niet vergeleken bij mijzelf. En ten tweede: hij schrijft bijzonder slordig. En ten derde, wat ik hem écht kwalijk neem: Brusselmans heeft zich in de schijnwerpers gehesen door steevast alleen maar vijanden te kiezen die niet bij machte waren zich te verdedigen."

De rek was eruit. Stonden Brusselmans en ikzelf soms onverwacht tegenover elkaar, bijvoorbeeld in de ijzige wandelgangen van een of andere radiozender, of jaarlijks vlakbij zijn huis in de melancholische Brugstraat tijdens de Gentse Feesten, dan draaide Brusselmans, na eventjes fysiek te zijn opgeschrokken, resoluut zijn rug naar mij. Ontstellend: hoe kon iemand van zijn kaliber geschreven pers zo ernstig nemen? Op een marginale polemiek als de onze, kon een intelligente volwassene zijn reële handelen toch niet afstemmen?

Ook nu begreep ik het antwoord op zoveel raadsels opnieuw vele jaren later pas; namelijk na ook zelf behoorlijk onophoudelijk, jaar in, jaar uit, in ongeveer alle media verrot te zijn getrapt, overigens veel erger nog dan Brusselmans, nu ik eraan denk. Maar ieder artiest draagt welgeteld één recensie op zak waarvan hij weet: dit is geen recensie meer, maar zuivere genocide.

Nog altijd halen de meeste Vlaamse schrijvers, gevraagd naar hun mening omtrent het oeuvre van Brusselmans, hun neus op. Welverstaan op een geroutineerde wijze, - wat er het enige wraakroepende van is. (Uiteraard is dit trouwens totaal niet waar, wat ik hier schrijf;  zoals de Amerikaanse criticus Justin Kaplan in zijn tijd wel eens opmerkte, eind negentiende eeuw: "Ook vandaag zullen er weer een paar duizend krantenartikels verschijnen rond het vraagstuk waarom Walt Whitman zo weinig aandacht krijgt.") De literaire vriendschap tussen Brusselmans en Christophe Vekeman is wellicht alvast een zeer benijdenswaardige...)

Mijn eigenste spugen, blazen of trappen richting Brusselmans was toch altijd iets volledig anders dan het zo ongeïnspireerde, fletse misprijzen van mijn achterlijke collega's, die zelf niks kunnen. Welgeteld twintig jaar lang heb ik het volgehouden om, zonder wat voor beschermheer ook, oppositie te voeren; onbezoldigd, maar juist wel met een verhevigd romantische, onverwijld naar vader-, neen grote broedermoord neigende bezetenheid, waarbij die bleekscheten van mijn generatie, kinderen als Dimitri Verhulst, nog eens extra verbleken...

Mijn eerste knieval voor het Spook Van Toetegaai deed ik pas een anderhalve maand terug in het magazine Revolver. Daar gaf ik, in een interview met Harold Polis, met stalen zenuwen toe, op Brusselmans min of meer jaloers te zijn. En daarstraks, zondag 10 november 2008, op de zogezegde 'Boekenbeurs', daar zag ik mij, oprecht licht beneveld inmiddels, naar hem, het Brusselfort, toe stappen, met zijn verzamelde werk in mijn twee handen (althans zijn eerste zeven romans). "Zoudt gij deze voor mij willen signeren?" We rilden beiden, ik was zeker niet de enige... Zijn vrouw, die me voorheen, begrijpelijk genoeg, mijn ogen zou hebben uitgekrabd, vroeg me prompt of ik niks wilde drinken. "Ik... Ik ga dit hier eerst even herlezen..." Zo erg was ik de kluts kwijt, dat ik vergat langs de kassa te lopen. Toch werd ik door niemand tegengehouden.

Als iemand van jullie Herman Brusselmans ergens mocht tegenkomen, druk hem dan namens het Slangenmens op het hart dat hij niet zo bescheiden mag zijn om in televisieprogramma's uit te leggen waarom het misschien énigszins normaal zou zijn dat hij, als enige Vlaamse schrijver die wérkelijk wordt gelezen, ook in Nederland, toch nog nooit een prijs heeft gewonnen. Stel je voor dat Nederland ons daar opeens in voor zou zijn, - een prijs in Amsterdam voor Brusselmans,- wat dan met ons??

Vertel het verder: