Het verleden van onder de stolp | Nederlands Openluchtmuseum & Museum Arnhem in Arnhem

Zomertip! Museumtoer stippelt voor u een verrassend dagje uit in Arnhem. Heleen Debruyne slaat een praatje met historische figuren en trekt grote ogen in Museum Arnhem, een wonderkabinet dat geen pakhuis of mausoleum wil zijn. WIN! deBuren geeft 10 duotickets weg voor beide musea.
Door Heleen Debruyne op Thu 11 Jun 2015
Lees/luister/kijk
Museumtoer




deBuren stuurde twee jonge schrijfsters naar interessante musea over de grens. Niña Weijers ging naar Vlaanderen, Heleen Debruyne spoorde naar Nederland. Reist u hen achterna? In de achtste en laatste aflevering trekken we met Heleen Debruyne naar Arnhem. 

WIN!
Wilt u zelf ook wel zo'n mooie zomeruitstap naar Arnhem maken? Stuur dan voor 16 juni 2015 een mail met onderwerp 'Debruyne Arnhem' naar
info@deburen.eu en vermeld duidelijk uw naam en postadres. Wij brengen de winnaars op de hoogte.

Vind hier het overzicht van alle steden en musea.

Nederlands Openluchtmuseum Arnhem

'We nemen u mee op een reis door de tijd. De mensen van het museum lijken zo uit het verleden te zijn weggelopen,' beloofde de tekst op de website van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Ik verwachtte een historische Trumanshow, een bubbel ver van het nu, waar je tussen de molens en de grachten en de boerderijen dwaalt, waar vrouwen op klompen langssjokken, waar boerenjongens hoog op hooiwagens gezeten voorbijrijden. Ik word niet teleurgesteld: het museumterrein voelt eeuwen verwijderd van het steedse Arnhem. Na een stevige wandeling langs herenboerderijen, huisjes van dagloners en koeienstallen, bots ik op een man met een indrukwekkende snor. Hij heeft een werkmanspetje op en draagt een zwart, ruimzittend pak. 'Ik ben touwslager,' zegt hij.





Nederlands Openluchtmuseum Arnhem - Zaanse Buurt © Wim de Knegt

'Maar dat doe ik alleen in de zomer,' vult hij snel aan. 'Tijdens de winter, als er minder gasten zijn, moet ik de winterkraampjes in goede banen leiden. En als het erg druk is, spring ik wel eens bij voor de collega's van de andere ambachten.' Achteloos doorbreekt hij de vierde wand. Hij is gewoon een medewerker van het museum en dat mag geweten zijn - mijn historische bubbel is doorgeprikt.

'Wij doen niet alsof we uit het verleden komen. Dat is een bewuste keuze. In het Zuiderzeemuseum doen ze het anders, daar houden de medewerkers de hele tijd vol dat ze echt van vroeger zijn. Zo moeten ze doen alsof ze niet weten wat al die gekke lichtgevende schermpjes zijn. Maar dat werkt niet, dan kan je niet met de mensen in interactie gaan. Wat wij doen is educatief: we leggen uit wat we aan het doen zijn, welke oude ambachten we gebruiken. Ik wil niet in een stolp zitten.'

Dat is de missie van het Nederlands Openluchtmuseum: verhalen vertellen over het dagelijkse leven uit het Nederland van vroeger, zonder stoffig te zijn. Het is een aanpak waar op hoge plaatsen goedkeurend naar gekeken wordt: het openluchtmuseum werd in 2007 door het toenmalige ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geselecteerd om een gloednieuw Nationaal Historisch Museum uit de grond te stampen. Dat plan kaderde in de in 2006 gelanceerde canon van Nederland. Historicus Frits van Oostrom bracht vijftig thema's of 'vensters' samen, die een overzicht bieden van de geschiedenis van Nederland: thema's zoals de Amsterdamse grachtengordel, de Statenbijbel, Anne Frank of de watersnood van 1953. De Nederlandse identiteit, bevroren in een vastomlijnd verleden.





Nederlands Openluchtmuseum Arnhem - Wasvrouw © Wim de Knegt

Ondertussen zijn we een paar jaren, regeringen en besparingsrondes verder en zijn de plannen voor een groot Nationaal Historisch Museum in de ijskast gestoken. De canon kreeg ondertussen ook kritiek te verduren: te blank, te mannelijk, te blind voor de zwarte bladzijden. Toch laat het museum die canon niet los. Communicatiemedewerkster Caroline Berkhof: 'Wij zijn een museum van het dagelijkse leven, maar het dagelijkse leven is natuurlijk verknoopt met de bredere historische gang van zaken. Bezoekers leven zich makkelijker in het verleden in, als ze zich identificeren met de gewone mensen van toen. Daarom werken we een paar vensters van de canon uit, zoals de wet op de kinderarbeid.' Het openluchtmuseum werkt nu toch verder aan een groots opgezette tentoonstelling, opgehangen aan de canon.

Volgens cultuurhistoricus Herman Pleij wil men in tijden van verwarring teruggrijpen op een duidelijk, vastomlijnd verleden dat de collectieve Nederlandse identiteit schraagt. Toen Van Oostrom in 2006 zijn canon presenteerde, waren de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh nog nauwelijks verteerd - Nederland was in een identiteitscrisis gesukkeld. Was het land wel zo tolerant als gedacht, wilde het dat nog wel zijn? Dat het openluchtmuseum de canon vandaag nog steeds volgt, wijst er misschien op dat de verwarring negen jaar en een economische crisis later nog niet is gaan liggen.

Op de trolleybus terug naar het stadscentrum blader ik door een boek over het openluchtmuseum. Tijdens de rit wordt de bebouwing denser, worden de huizen kleiner en de passanten diverser. Ik lees dat het openluchtmuseum in 1919 vanuit een conservatief-nostalgische reflex werd opgericht. Sinds de late negentiende eeuw was er in heel Europa een opstoot in de belangstelling voor de eigen volkscultuur. Het traditionele plattelandsleven werd in sneltempo bedreigd door fabrieken met rokende schoorstenen, machines en vuile steden waar de machinebedieners gingen samenhokken. Die evolutie kon in 1919 al lang niet meer tegengehouden worden, maar de schijnbaar zuivere volkscultuur, met zijn boerderijen, klederdracht en klompensnijders, kon je op zijn minst bewaren en tentoonstellen. In tijden van moeilijk te bevatten verandering kneden mensen het verleden graag naar hun verwachtingen.
Vanaf het begin was het openluchtmuseum bedoeld om alle Nederlanders te plezieren: elitaire musea waren er volgens de oprichters al genoeg. Wanneer ik uit de bus stap en een stedelijke heuvel opwandel naar Museum Arnhem, vermoed ik dat die sneer bedoeld was voor deze instelling. De Arnhemse gemeentelijke kunstcollectie was in 1914 verkast naar het chique gebouw van een voormalige Heerensociëteit en had een hele diverse verzameling van kunst en antiquiteiten.

 

Museum Arnhem






Museum Arnhem © Willem Franken

Dat het gemeentemuseum ook vandaag nog een heel ander soort instelling is dan het openluchtmuseum, merk ik meteen aan de sculptuur die op het grasveld gedrapeerd ligt: een opeenstapeling van weelderige glazen bollen in verschillende tinten roze - een borstentros, van kunstenares Maria Roosen.

Binnen in Museum Arnhem waan ik me in een wonderkabinet. Ik dwaal rond tussen werken van de mij onbekende Arnhemse neorealist Dick Ket en van de bijzondere Charley Toorop, er zijn juwelen en keramiek, als je een hoek om slaat, bots je op een Dumas of een Vanitas van Hans Op de Beeck. Alles is even mooi gearrangeerd in het bijzondere gebouw. De collectie is eclectisch, over de eeuwen heen gevormd door de persoonlijke smaak van de opeenvolgende museumdirecteuren en gulle schenkers.

Directeur Van Erven Dorens liet in 1929 al optekenen, bij de toen controversiële aankoop van een prent van Escher: ‘Een museum naar de tegenwoordige opvattingen mag geenszins zijn een mausoleum, of nog oneerbiediger uitgedrukt: een pakhuis ... Het is niet goed, rustig te blijven zitten turen naar de mooie gildenbekers, naar de topografische prenten en muntenverzameling. Dan staat het museum in zijn ontwikkeling stil, het lijkt dood en verliest zijn belang voor het publiek.'






Museum Arnhem © Willem Franken

Het is een filosofie die nog steeds gehuldigd werd door Hedwig Saam, tot voor kort directeur. Saam wilde van haar museum een plek van ideeën maken, waar de link met de samenleving gelegd wordt. Zo gaat de expositie ‘Geest van de plek' over de traumatiserende slag om Arnhem van 1944 - het museum stond midden tussen de heen-en-weerbeschietingen en moest na de oorlog grondig gerestaureerd worden. Het is nadrukkelijk geen historische tentoonstelling, maar een reflectie door hedendaagse kunstenaars. De collages, videowerken en installaties van hedendaagse kunstenaars zou je evengoed kunnen bekijken zonder aan oorlogsgeweld te denken. Ergens in het museum staat een uitspraak van historicus Willem Frijhoff in groene plakletters op de muur: ‘herinneren is een andere werkelijkheid voorstellen met de middelen van nu'. De illusie het verleden te kunnen oproepen ‘zoals het echt was', zijn we sinds het postmodernisme kwijt. Meer dan wat Frijhoff beschrijft, kunnen we niet doen. Zelfs de zorgvuldig bewaarde ‘echte' oude gebouwen, artefacten en ambachten van het Openluchtmuseum en de vele vensters van de canon, blijven middelen van nu - niet meer dan zorgvuldig geselecteerde schimmen van een andere werkelijkheid, onderworpen aan vandaag.

 

Heleen Debruyne (1988) is een historica met weinig geduld voor archieven. Ze haalde een master in de journalistiek en werkt nu als achter-de-schermen-radiomaakster bij Klara en soms bij Radio 1. Ook schreef en schrijft ze voor Knack, De Morgen City, DeWereldMorgen, cuttingedge.be en voor zichzelf. Tijdens haar Parijsresidentie schreef Heleen enkele blogberichten. Voor haar tekst over de grootstad nam ze een kijkje bij de polyamoureuze beweging in Parijs en schreef daarover het stuk Meerminners in Parijs. Dit artikel verscheen eerder in De Morgen Magazine en een fragment werd voorgelezen op Klara in het programma Happy Hour. Ze maakte ook een radiodocumentaire over het Musée des Lettres et Manuscrits. Beluister hier Voltaire's liefste wetenschapper.

Heleen Debruyne © Marianne Hommersom

Vertel het verder: