Open brief aan Carel Peeters

Carel Peeters schreef in Vrij Nederland het artikel 'Waarom jij, lezer, echt geen lege huls bent'. Hij bespreekt daarin 'Uitwegen', het nieuwe nummer van literair tijdschrift nY waarrond deBuren een debatavond organiseert. Hij richt zijn pijlen vooral op Saskia Pieterse die volgens hem de taal van het 'politbureau' hanteert. Pieterse reageert. 
Door Saskia Pieterse op 24 sep 2014
Tekst
Literatuur

Carel Peeters schreef in Vrij Nederland het artikel 'Waarom jij, lezer, echt geen lege huls bent'. Hij bespreekt daarin 'Uitwegen', het nieuwe nummer van literair tijdschrift nY waarrond deBuren een debatavond organiseert. Hij richt zijn pijlen vooral op Saskia Pieterse die volgens hem de taal van het 'politbureau' hanteert. Pieterse reageert.

‘Een roman met als hoofdpersoon een ontwikkelde emigrant uit Ghana en een blanke schoft in secundaire positie, graag’. Dat is de laatste zin in Carel Peeters’ bespreking van het nY-themanummer 'Uitwegen' in zijn VN-rubriek 'Literaire Kroniek', met daarin speciale aandacht voor mijn essay, getiteld ‘de emancipatie van de lezer’. Van wie is die zin afkomstig? De zin staat bij Peeters tussen aanhalingstekens, wat suggereert dat zij van mij is. Maar dat is niet zo. In mijn stuk staat die zin niet, niet letterlijk, evenmin staan in mijn essay zinnen die die strekking hebben. De zin wordt dus uitgesproken door een geheel aan de fantasie van Peeters ontsproten construct: een moralistische politieagent, die literatuur wenst te reduceren tot een politiek traktaat, waarin niet langer seksistische en racistische personages worden geduld. Ook is de door mij gebruikte oproep tot meer dialogisme ‘een formule afkomstig uit het woordenboek van een politbureau.’ Daar zou Bakhtin toch van opzien.

Maar nee, ik heb dit allemaal niet geschreven. Ik constateer in mijn stuk wél dat veel romanciers tegenwoordig de multiculturele samenleving/de vreemdeling/de allochtoon/de asielzoeker als onderwerp hebben ontdekt. Ik constateer bovendien dat juist die thematiek leidt tot loftuitingen. Zie bijvoorbeeld de Libris Literatuur Prijs voor Dit zijn de namen van Wieringa, of voor La Superba van Pfeijffer. De lof komt er bijna altijd op neer dat deze auteurs zo scherp en indringend de problematiek van onze hedendaagse samenleving onder woorden zouden weten te brengen. Het is dus het journalistieke, of zo u het literatuurwetenschappelijk verwoord wil zien, heteronome en dialogische karakter van boeken als Dit zijn de namen, Alleen maar nette mensen, et cetera dat als argument voor de lof wordt ingezet.

Mijn tegenargument is dat juryleden en recensenten soms weinig werkelijk kritische arbeid verrichten, omdat ze enkel kijken naar het onderwerp van de roman, maar niet naar de manier wáárop de roman dat onderwerp aan de orde stelt. Ik heb het dus in mijn stuk nergens over seksistische personages – dat is een verzinsel van Peeters. Ik heb het over de verteltechnieken die gebruikt worden om de diverse personages al dan niet van een stem te voorzien. In mijn interpretatie zijn deze romans helemaal niet zo scherp en indringend, ze zijn nogal traditioneel en bevestigen de aloude verhoudingen door de manier waarop de vertelling is georganiseerd. De ‘allochtoon’ wordt beschreven, de ‘autochtoon’ beschrijft. Komt de ‘vreemdeling’ dan eens zelf aan het woord, dan uitsluitend als de vreemdeling, niet als een compleet mens met een identiteit die filosoof Amartya Sen zo mooi ‘robustly plural’ heeft genoemd. Niets dialogisme dus, niets heteronomie. En daarmee vervalt dan precies het criterium op grond waarvan die romans zoveel lof hebben gekregen.

Ook vind ik dat het argument ‘de literaire verbeelding is een speeltuin zonder directe relatie tot ideologische of politieke kwesties’ nogal verdacht vaak uit de lucht komt vallen zodra er mensen inbreken die niet tot de literaire coterie behoren – zoals de vrouwen uit de Bijlmer die bezwaren maakten tegen Alleen maar nette mensen. Het is natuurlijk volstrekt inconsequent om éérst romans te prijzen vanwege hun expliciete maatschappelijke thematiek (zie: het Gouden Uil-juryrapport voor Alleen maar nette mensen) en als er dan uit de samenleving kritiek komt op de verwoording van die thematiek, te roepen: ja ho eens, het is een roman, dus dat moet je in de eerste plaats lezen als fictie die je niet op de realiteit moet betrekken! Van tweeën een.

Of laat ik het anders zeggen. Peeters vindt dat een lezer zich moet oefenen in de ‘suspension of opinion’; ik constateer dat Nederlandse critici hun opinion zolang suspenden dat ze er niet meer aan toekomen deze, op het moment dat de zaken echt op scherp komen te staan, op te schrijven.

Het is Peeters ontgaan, maar ik houd geen pleidooi voor méér politieke engagement in de roman, maar minder. Althans, minder politiek engagement van het soort dat nu tot succes leidt in de literaire kritiek. Ik verlang naar een roman waarin áls er dan zo nodig personages in moeten voorkomen met een migratieverleden, ze meer mogen zijn dan een vehikel van de boodschap: ‘let op, lezer, hier komt de maatschappelijke thematiek!’ Je voelt dat als die boodschapfunctie er niet zou zijn, die personages ook weer uit de roman geknikkerd kunnen worden. Ik verlang naar een roman waarin een personage met een migratieverleden een onlosmakelijk onderdeel is van het gehele weefwerk van de roman, met een rol die nu eens niet is gelimiteerd tot ‘immigratie’. En dat verlangen koester ik, omdat in onze samenleving immigranten óók niet gereduceerd zijn tot alleen maar dat ene gegeven uit hun geschiedenis, maar complete mensen zijn die een veelvoud aan rollen vervullen. Dat dat verlangen in de ogen van Peeters neerkomt op ‘een ontwikkelde emigrant uit Ghana en een blanke schoft in secundaire positie’, zegt, vrees ik, eerder iets over zijn onvermogen serieus in te gaan op progressief politiek denken, dan de daadwerkelijk inhoud van die progressiviteit.

Ik heb, in de geest van het themanummer kleur bekend, en ja, ik bewonder auteurs met een expliciet progressieve agenda, zoals Tony Kushner of Charles Stross. Ik zou er wat voor geven als we in Nederland twee (!) van dit soort uitgesproken progressieve schrijvers zouden hebben. Daarmee zou niet het hele landschap door ‘politieke correctheid’ worden platgelegd, het landschap zou er net een tíkkeltje minder eenduidig behoudend door worden.

Ondertussen heb ik mijn essay nog eens dunnetjes overgedaan. Wat me nog het meest intrigeerde aan Peeters’ reactie, is de wijze waarop deze het politieke klimaat in Nederland echoot. Als Quinsy Gario het debat aanslingert over Zwarte Piet en oproept tot een kritische discussie over deze figuur, dan wordt hij door de diverse kanalen van de Telegraaf Media Groep consequent weggezet als een dwingeland die zijn ‘politiekcorrecte’ agenda aan Nederland wil opleggen. Het is dé manier om dat debat inderdaad nooit van de grond te laten komen. Waarmee ik eindig met een vraag: wat is er nu zo vreselijk bedreigend aan dergelijke debatten, dat ze onmiddellijk platgeslagen moeten worden met retorisch geweld, waarin termen als ‘politbureau’ en ‘politieke correctheid’ de plaats innemen van ter zake doende argumenten?

Vertel het verder: