Kinderen van kristal en een chique wc

'Zoals het er naar uitziet zal ik vandaag ‘s werelds grootste verzameling kristallen dierenbeeldjes te zien krijgen, aangekondigd door blinkend marmer en gouden handgrepen.'
Door Fleur van Greuningen op 1 apr 2014
Tekst
Literatuur
Schrijfresidentie Parijs
© Marianne Hommersom

Fleur van Greuningen resideerde in de zomer van 2013 op uitnodiging van deBuren twee weken in het Huis Biermans-Lapôtre. Ze bezocht het Parijse kristalmuseum. 'Daar zijn ze dan toch. IJsberen in transparant en  donkerblauw. Een Chinese gelukskat. Zelfs Snoopy is van de partij.'

De entree van het Baccarat-gebouw bestaat uit een lange gang. Er branden open haarden, ook al is het buiten dertig graden. Donkere spiegels. Aan de randen van de lopers zijn kleine lampjes verwerkt die schittering moeten nabootsen. Ik loop de marmeren trap op, kom uit bij de kassa die omringd wordt door schitterende kandelaren. Een troon uit kristal in mijn ooghoek.

‘Weet u misschien waar de wc is?’
De rijk geschminkte receptioniste dicteert me de weg.
Een trap af, een andere op en was het naar links of naar rechts? Links zit een vrouwtje aan een tafeltje, ze leest. Het zal de toiletjuffrouw zijn.
Het is niet de toiletjuffrouw, het is madame Ducroyère-Baccarat (née 1939), vertelt ze me. Weduwe van monsieur Baccarat (né 1936, ┼ 1979). Ze klopt op de stoel naast haar. Ik ga zitten aan de klassieke houten tafel, die in dit gebouw uit de toon valt. Of ik een kopje koffie wil.
‘Mijn man werkte bij de post. Hij maakte carrière. Tot hij stierf in ’79. Dit zijn mijn kinderen.’
Ze wrijft over een vergeeld blaadje. Ik kan geen gezichten ontdekken.
‘Monsieur en ik konden geen kinderen krijgen. Misschien door de oorlog. Destijds hadden we bijna geen eten, aten dagen achtereen uiensoep en vieze biscuits Pétain, de vitaminepillen werden bij ons naar binnen geduwd. En dan die keer dat onze bonnen gestolen waren. Maar ik wil het niet over de oorlog hebben.’
Ze houdt een kristallen beeldje van een aap omhoog.
‘Mijn broer vond dit in een leegstaand pand, gaf het aan mij. Vanaf dat moment was ik verliefd op kristal. Is het niet prachtig?’
Ze houdt het beeldje voor mijn oog.
‘Kijk eens hoe het licht erdoor gebroken wordt. Wil je misschien een kopje koffie?’
Ik schud mijn hoofd, terwijl haar rimpelige handen het apenkopje aaien.
‘Dit beeldje was het begin: mijn broer vond het in de oorlog in een leegstaand pand en gaf het aan mij. Sedertdien ben ik verliefd op kristal. Je weet dat mijn broer is omgekomen in de oorlog? Tragisch. Een ongelukkige val van de trap. Moeder was ontroostbaar en is het gebleven tot haar dood. Monsieur en ik konden geen kinderen krijgen.’
Beleefd geef ik haar te kennen dat ik erg nodig moet plassen, schuif mijn stoel naar achteren.
Ze kijkt me verwachtingsvol aan.
‘Wil je misschien een kopje koffie?’
Ik verontschuldig me, loop de gang in, op weg naar de wc.
Mademoiselle!’
Haar schrille stemmetje galmt door de hoge gang. Kroonluchters en wandlampen van verschillende formaten verlichten haar iele postuur.
Ze wenkt me.
‘U heeft mijn kinderen nog niet gezien.’
Ze drukt me het vodje papier in handen. Er zit een vette veeg in de rechterhoek.
‘We konden geen kinderen krijgen.’

 

Ik bekijk het papier, wil het haar teruggeven, maar ze wenkt dat ik het kan houden. Ik frommel het in mijn kontzak. Ik moet nu echt heel snel die wc vinden, of ik veroorzaak kortsluiting met al die lampjes hier.
Ik loop de andere gang in. Aan het einde ervan heet een geruststellend levenloos damesfiguurtje me welkom in de overtreffende trap van de entree: nog meer spiegels; nog meer kristallen wandlampjes; een designwasbak die lijkt op een gegalvaniseerde kotsbak uit het ziekenhuis, paradoxaal genoeg mooi; een donkere doch doorzichtige wand, waarachter een gigantische kroonluchter hangt. Ik kijk omhoog. Ook het plafond is een donkere spiegel. De kroonluchter en lampen verdubbelen zich in de rode gloed van het weinige licht. Dit is de chicste wc in Parijs.
Terwijl ik ontspan in het weelderige paleis, kijk ik naar het vodje dat Madame me in handen drukte. Zoals het er naar uitziet zal ik vandaag ‘s werelds grootste verzameling kristallen dierenbeeldjes te zien krijgen, aangekondigd door blinkend marmer en gouden handgrepen.

Folie des Grandeurs
Bij de ingang van het museum krijg ik een nieuwe brochure, 200 grams glanzend papier met zilveren letters. ‘Baccarat. Fabrikant van kristal sinds begin achttiende eeuw.’ Dat heeft Madame me niet verteld.
Als eerste loop ik tegen een compositie van megalomane voorwerpen aan (figuurlijk, godzijdank): een grote stoel waarvan alleen de kussens niet van kristal zijn; een menshoge  kandelaar; een tafel van kristal. In de zilveren brochure lees ik dat dit de ‘Folie des Grandeurs’ is: werken van absurde grootte, geïnstigeerd door de Russische tsaar Nicolaas II. Een speciale oven moest worden gefabriceerd om deze werken te kunnen vervaardigen. La folie! Ik ben blij dat ze het zelf doorhebben. Op de plattegrond van Madame ontbreekt deze gekte.

Au-delà de la Transparance
In de volgende ruimte prijkt een afbeelding van ruw bergkristal op het plafond. Het is een rustige zaal met vier glazen kabinetten die worden verlicht door industrieel aandoende lampen. De mooiste parfumflessen, serviezen, schalen en vazen vullen de kasten. Zou dit ook allemaal van Madame zijn? Maar waarom strookt het dan niet met haar plattegrond?
Het is de kamer ‘Au-delà de la Transparance’, lees ik in de museumbrochure. De vitrines zijn thematisch ingedeeld en geven een beeld van verschillende vormen van Baccarats vakmanschap. De naam komt van de historie die wellicht niet meteen te zien is aan het kristal, maar in deze zaal aan de oppervlakte komt door de informatie die met krijtstift op het vitrineglas staat geschreven in een zwierig Frans handschrift. Bij de juiste inval lichten de letters op.  
In het kabinet ‘Légèreté, Raffinement, Féminité’ gaat het, zoals de naam zegt, om lichte vormen van kristal. Organische ontwerpen, smalle halzen: kristal met een vleugje lucht (vrij vertaald) – zoals alleen Fransen dat niet pathetisch kunnen laten  klinken met hun ‘souffle aérien’. Ze komen uit alle tijden: van de ronde suikerstrooier, gemaakt voor de Wereldtentoonstelling van 1867, tot Dior’s parfumflesje van J’Adore uit 2001.
In de vitrine ‘Les Grands Créateurs’ ligt het accent op de grote ontwerpers van Baccarat, het huis dat Frankrijk sinds begin 18e eeuw voorziet van fijn kristal, lees ik in de brochure. Eén van die grote ontwerpers is Georges Chevalier. Hij was artistiek directeur van Baccarat van de jaren twintig tot in de jaren zeventig en stond bekend om zijn moderne stijl, waar hij waarschijnlijk een nieuw publiek mee wist te trekken. De rest lag inmiddels onder de zoden, kan ik me zo voorstellen. De echte fans zullen de stijlen van hun idolen vast herkennen in de zee aan vazen, glazen en ander kristalgoed. Ik niet. Ook de moderne stijl van Chevalier valt voor mij niet te onderscheiden, maar ik neem het aan, gevoelig als ik ben voor goed uitgevoerde brochures.
Het derde buffet is de populistische variant. ‘Les Commandes Prestigieuses’, prestigieuze orders van machtige opdrachtgevers: keizers Louis XVIII, Charles X en Louis-Philippe bijvoorbeeld. Deze hoogstaande figureren kwamen zelfs de fabriek hooggeëerd bezoeken in respectievelijk 1823, 1828 en 1838. Zo kom je er achter wat deze lieden mooi vonden (vooral servies met hun eigen wapen) en met wat voor vaart ze elkaar afwisselden.
De laatste vitrine is de meest exotische. ‘Les Contes d’Ailleurs’ toont hoe Baccarat vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw tot de jaren twintig werd geïnspireerd door ‘verhalen van elders’. Ik blijf staren naar een prachtig met Turkse schilderingen bewerkte waterpijp uit 1878. Bloemen in oker, fijne terracottakleurige lijnen, minuscule stipjes van goud. Ik droom weg, waan me in de woestijn. Zand, glas, kristal.
Maar een gedachtespinsel stopt mijn esthetische droomervaring. Hoe aantrekkelijk ik het Turkse servies ook vind, ermee gepaard gaat een huiskamer waarin het als prestigeobject staat te verstoffen. Vooral de opsmuk van bepaalde ontwerpen staat me tegen. ‘Ik ben misschien niet mooi, maar wel duur,’ lijken ze te schreeuwen. Zo is daar de ‘Eléphant’: een vaas gemaakt door de – volgens de folder – bekende ontwerper Claude Freyard. Een met organische vormen versierde olifant uit, naar ik meen, brons of geheel geverfd kristal – wat me de plank van kristal mist lijkt te slaan – die een rechthoekige kristallen bak op zijn rug draagt. Een bak, ja: grof, dik kristal, met een lompe rand als een bloemkelk met obesitas. Op de bak zijn in Chinese stijl bloemen gegraveerd in dunne hoekige lijntjes, bergen bloesem uit zwarte stipjes. Te veel beelden. Te rijk.
Of zou dit een kwestie van smaak kunnen zijn?


Alchimie

Mijn negatieve gevoelens jegens kristal worden verder aangewakkerd in de ruimte ‘Alchimie’. Oneerlijk genoeg niet eens door het kristal dat daar opgebaard ligt, maar door de pompeuze wandschildering van Gérard Garouste die de totale ruimte vult. Hij schilderde wanden en plafond, en ik denk dat ook de massieve, donkere, zware gordijnen bij de vensters zijn idee waren. Het is een streperige schildering met enkele cartooneske figuren en een verdwaalde Chinese boom. Dit alles leidt naar het midden van het plafond, waar een niet-geschilderde kandelaar hangt.
De schildering maakt het kristal, dat zo licht kan zijn, pompeus. Op dezelfde manier als het teveel aan beelden l’Éléphant loodzwaar maakt. Het doet me smachten naar stoffige dierenbeeldjes van Madame.

La salle de bal
De balzaal is leeg, afgezien van acht kristallen vazen van rond de dertig centimeter hoog, symmetrisch opgesteld op twintig centimeter afstand van de wand en een assortiment kroonluchters aan het plafond. Helemaal achterin de zaal wordt een documentaire vertoond, achter een spiegel.
Ik bekijk samen met twee Amerikaanse toeristen hoe mannen uit de jaren negentig het kristal blazen en we ontdekken dat kristal een vorm van glas is waarin het gehalte loodoxide boven de tien procent ligt.
O my god, look at that!
Vier mannen zijn nodig om het gloeiendhete kristal naar het volgende stadium te brengen.
Now I understand why it costs so much!
Het filmpje eindigt met een schilder die de gegraveerde patronen van kleur voorziet.

Er is geen andere zaal meer. Er is ook niets te vinden over Madame. Misschien zijn de dierenbeeldjes ergens anders opgeslagen.
Op mijn weg naar buiten kom ik langs de Baccarat-winkel.
Daar zijn ze dan toch. IJsberen in transparant en  donkerblauw. Een Chinese gelukskat. Zelfs Snoopy is van de partij. Maar deze beelden zijn geen deel van een verzameling; het zijn stukken uit de nieuwe collectie (2013), te koop voor rond de 300 euro. Prestige. Ik loop langs de rest van de producten: ringen, kettingen, serviesgoed, klokken, abstracte objecten. Bordjes met hoge prijzen. Allure.  
Toch even terug naar de balzaal, zonder bordjes met bedragen die me lastigvallen. Daar denk ik aan het museum van Madame. Kopjes koffie voor een heel weeshuis. Het zonlicht dat naar binnen schijnt, breekt door het kristal in de vitrines. Het geeft haar huis alle kleuren van de regenboog. Een surrealistische ruimte waarin dieren en andersoortige beelden door het bewegende licht een vorm van leven lijken te krijgen.
Ik denk aan de blazers in hun houthakkershemden, die een bol gloeiend glas met zijn vieren moeten dragen, om het vervolgens te draaien, opdat het afkoelt en ze kunnen beginnen aan de vorm. Aan hoe ze het in de mal leggen, het zweet parelt van hun gezicht. Een lichte vaas wordt het, met oriëntaalse tekeningen. Dit benijdenswaardige vakmanschap, de nuchtere voedingsbodem voor het soms veel te protserige kristallen resultaat.
Deze twee werelden, de wereld van de emotionele waarde die aan nutteloze objecten opvallend goed blijkt te kleven en de wereld van het vakmanschap, maken voor mij het kristal waardevol. Niet de prijzen van de werken, niet de personen die deze werken kopen om hun rijkdom te uiten. Twee werelden die bijna niet aan de orde komen in het museum, maar die ik ondanks dat leerde kennen door deze opsmukkerige wereld van openhaarden, glitters en chique wc’s in het rijke, zestiende arrondissement binnen te gaan.

Op mijn weg naar buiten, kom ik een zuster en een beveiliger tegen. Ze hebben haast.
Voor de deur staat een busje.
Kwijl plakt tegen de ramen.

 

 

Foto Fleur van Greuningen © Marianne Hommersom

 

Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Fleur schreven in Parijs? Klik hier.

Vertel het verder: