Sommige publicaties rijpen als goede wijn

In zijn verzamelde columns 'Aan mijn voormalig vaderland' beschrijft Michaël Zeeman een passage van Durrell, waarin een vrouw rondloopt die geen neus heeft. Een dag later treft hij in een werk van Wijnberg een gelijkaardig personage. Hoe kan dit? Eerder las hij nooit iets over neusloze vrouwen. Hoewel Vitalski Zeeman nooit gekend heeft, wil hij hem nederig aanschrijven: ‘Chionya Gusyeva, die in 1916 met een dolk Raspoetin te lijf ging, was óók een vrouw zonder neus!’
Door Vitalski op 25 jun 2013
Tekst
Literatuur

In zijn verzamelde columns Aan mijn voormalig vaderland beschrijft Michaël Zeeman een passage van Durrell, waarin een vrouw rondloopt die geen neus heeft. Een dag later treft hij in een werk van Wijnberg een gelijkaardig personage. Hoe kan dit? Eerder las hij nooit iets over neusloze vrouwen. Daar ik Zeeman nooit gekend heb, was zijn overlijden vier jaar terug voor mij niet emotioneel. Maar hoe graag wilde ik hem nu nederig aanschrijven: ‘Chionya Gusyeva, die in 1916 met een dolk Raspoetin te lijf ging, was óók een vrouw zonder neus!’ Op zulke momenten treuren we om onze zuivere sterfelijkheid.


Met gedichtendag stak romancier Joost Vandecasteele op de radio de loftrompet over de kracht van fictie: af en toe moet je volstrekt ongerijmde dingen verzinnen om iets te kunnen zeggen over de realiteit. Klassiekers als Don Quichote uit de zeventiende eeuw, en Gulliver's Travels, uit de achttiende eeuw, wisten daar al van. Daarom schijnt Vandecasteeles geestdrift een beetje anti-modieus. De roman zal wel nooit ‘dood’ zijn, maar non-fictie tiert heden weliger. Een mens is niet bejaard of daar verschijnen zijn memoires, iemand is nog niet gestorven of daar heb je zijn biografie. Met Van Reybrouck en Riemen deed onlangs zelfs het antieke genre van het pamflet zijn herintrede. En bovenal regent het in de boekhandel bundels van kranten- en tijdschriftencolumns.

Over dat laatste, de gebundelde column, wordt meestal meewarig gedaan. Ze geraken te snel gedateerd, zegt men. Terwijl ze in werkelijkheid juist niet snel genoeg dateren. Ga vandaag nog in De Slegte het boekje De Flaptekstlezer halen, opstellen van Herman de Coninck uit 1991. In zijn voorts aanstekelijk subtiele schrijfstijl oogt De Conincks overmatige gebruik van wollige neologismen vandaag nog ergerlijker dan toen, maar los daarvan zijn deze teksten gerijpt als een goede wijn. Het leeuwendeel van de gerecenseerde dichters van tweeëntwintig jaar geleden doet niet meer ter zake, maar terloops wordt op de achtergrond een subliem tijdsbeeld opgetrokken. De eerste Golfoorlog, het eenvoudige zwart-witdenken tussen links en rechts, de hypes rond auteurs als Oliver Sachs, Amos Oz en Luuk Gruwez. Vooral door het niet-bestaan van het internet staat het jaar 1991 zonder overdrijven dichter bij de middeleeuwen dan bij ons. Doordat het gedrukte woord toen meer belang had, en er zodoende met meer ernst over geschreven werd.
(Was vroeger alles beter? Ja, want vroeger bestond het Nieuw Wereldtijdschrift. In zijn eigen krant brak criticus Hans Warren dit magazine eens helemaal af; de volgende morgen kreeg hij telefoon met het verzoek om in het NWT zelf het goede voorbeeld te geven. Waar gebeurt zoiets vandaag nog?)

Een zwak gedicht uit 1974 kan toch op genade stuiten, daar geweten is: deze dichter droeg, toen hij deze flauwekul verzon, een te strakke rolkraag. Dit soort mededogen vergaar je niét voor meer hedendaagse notities, zoals bijvoorbeeld de – niettemin magistrale – bloemlezing van Michaël Zeeman. Zeeman doet zeker niet onder voor De Coninck, in geestdrift noch in Sjaalman-achtige allesweterij, maar de enkele passages die toch storen, storen zonder meer. Bijvoorbeeld zijn column over Schopenhauer, zo algemeen als een Wikipediapagina. Duikt hier de naam Wittgenstein op, dan krijg je een alinea verderop ook het dufgrijze cliché cadeau: ‘Waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen.’ In de column over Rousseau komt, o open deur, algauw diens wroeging ter sprake omtrent een lint dat hij ooit eens stal. De over vele bladzijden uitgesmeerde vergelijkingen tussen Frankrijk en Nederland, waarbij de Parijzenaar zogenaamd meer gezond met literatuur zou omgaan dan de Amsterdammer, lezen zo voos als een discussie aan de toog over het verschil tussen man en vrouw.

Maar inderdaad: binnen een jaar of tien zullen wij ook die schaarse mankementen graag lusten, ten voordele van het schrijvende, menselijke personage zelf, kind van zijn tijd. Zoals nu ook de door zijn dood opeens minder avontuurlijk aandoende columns van Boudewijn Büch nog een goed decennium moeten rijpen ... En de bundels van Tom Naegels, Chris van Camp, Paul Verhoeven ...

Velen van ons lezen geen fictie meer; omdat we daar, om een of andere reden, het geduld niet meer voor opbrengen. Wél verteren we de romans van Goethe, Dickens of Multatuli. Hun werken zijn van zuivere vertelling getransformeerd tot geschiedkundige documenten. Zo is het vagevuur van enkele jaren, waar misschien nu ook, o lezers, mijn eigen teksten hier voor deBuren doorheen moeten, alvorens in het walhalla der onsterfelijken naar binnen te mogen.

Vertel het verder: