Still crazy after all these years. Kleine laudatio voor Charlotte Mutsaers

Charlotte Mutsaers werd 70 en dat vierden we in de Lokettenzaal van het Vlaams Parlement met een straffe laudatio door Tom Van Imschoot en een fijn gesprek met Carlos Alleene. Hieronder leest u de tekst van Tom, het gesprek volgt binnenkort als podcast. Hier, hiep, hoera!
Door Tom Van Imschoot op 20 nov 2012
Nieuws
Literatuur

Charlotte Mutsaers werd 70 en dat vierden we in de Lokettenzaal van het Vlaams Parlement met een straffe laudatio door Tom Van Imschoot en een fijn gesprek met Carlos Alleene. Hieronder leest u de tekst van Tom, het gesprek volgt binnenkort als podcast. Hier, hiep, hoera!


Dierbare Charlotte,


Ken jij dat liedje van Paul Simon waarin hij op straat zijn oude vlam weer  tegenkomt: ‘Still crazy after all these years’? Het gaat over een proces dat niet verjaart, hoeveel tijd er ook verstrijkt. En dat heeft iets ongelukkigs, omdat niets eenzamer is dan de liefde in je hart die maar niet wil sterven. Maar zoals elk ongeluk dat je hele toekomst lijkt te vormen, hoe oud ook, draagt alles wat je er plots opnieuw aan herinnert ook het dodelijk geluk in zich van een gezocht toeval – effectief, Paul Simon, tot gekmakens toe, alsof het al de hele tijd op je dwalende blik lag te loeren. Dus ik weet niet, lieve Charlotte, waarom juist dat onsterfelijke liedje me te binnen schiet, nu jij op Allerzielen tot ons aller groot geluk zeventig jaar bent geworden. Maar in mijn zoveelste poging om de ‘straffe laudatio’ die ik gevraagd ben voor je te houden dan toch wat in de buurt te brengen van wat ik je wens, omarm ik het wel als zo’n ‘gezocht toeval’ – Rachel Stottermaus indachtig.

Wat het betekent om midden op straat weer op je oude geliefde te botsen en de beklaagde te worden in een proces dat niet verjaart, weet zij genoeg. Dat hoef ik jou niet te vertellen. Maar zij had wel het geluk van haar rokje, om als middelpunt uit wandelen te gaan. Terwijl jij nu even stil moet staan, zodat ik met mijn woorden een feestelijk verjaardagskroontje kan plooien rond het wervelende circus van je geest. En ik twijfel of dat wel zal passen. Want natuurlijk moet het dat echt worden, maar een geschenk is het niet, zo’n laudatio waarvan op voorhand gevraagd wordt om ze straf te maken. Hoe zing je met een genrestuk de lof van een kunstzinnig oeuvre waarvan het straffe net is dat het de wet van elk genre heeft getart, tot op het punt dat het werk zelf een genre op zich werd, een charlotteske? Hoe vier je de zeventigste verjaardag van een schrijfster die in elk boek wordt herboren, telkens weer anders, altijd zichzelf? En dat terwijl de hele familie toekijkt!

Gelukkig zong Paul Simon ook, naar het einde van zijn liedje: ‘but I would not be convicted/ by a jury of my peers’. Want hoe langer ik ernaar luister,  hoe meer ik besef dat het op mezelf slaat: ‘still crazy after all these years.’ Bij zoverre dat ik, terwijl ik voor je verjaardag je hele werk zit te herlezen, genoeg heb aan een haast vergeten liedje om de onvergetelijke figuur van Rachel Stottermaus terug te zien, waarin ik jou voor het eerst ontmoette. Dat is namelijk wat de geest van je werk met me doet: hij laat me niet los, hoewel hij me buiten mezelf jaagt, omdat alles me altijd aan jou herinnert.

Of wat dacht je dat ik dacht toen ik vorige week bijvoorbeeld ontdekte dat Pirandello kort na elkaar verhalen met als titel ‘De trouw van de hond’ en ‘Het paard in de maan’ kon schrijven? Geluk is gezocht toeval, inderdaad. Daarom, lieve Charlotte: ik had hier zo graag in duizend woorden de dans van de motieven in je werk willen beschrijven, met een zinnelijke analyse van wat hen beweegt. Maar behalve dat niemand daar op zit te wachten – en zeker jij niet – geloof ik alleen in de geest van je werk te kunnen blijven, verstrikt in het moment waarop de dans stilvalt...om te kunnen beginnen. Om te beginnen schrijven, zoals Maurice Maillot, pardon: Blanchot, zegt, moet je al begonnen zijn. En om geïnspireerd te worden moet je het al zijn. Wie ooit de geest van Charlotte Mutsaers over de zee heeft weten te blazen, heeft met inspiratie echter minder moeite dan Achab met de witte walvis,  of dan Melville om, na de ontmoeting tussen die twee, ‘Ismaël’ te worden.

Als lofzanger voel ik me in de situatie waar Marguerite Duras zich bevond toen ze over het oudere zusje van Rachel S. wou beginnen in De vervoering van Lol V. Stein (1964), met één van de mooiste zinsneden die ik ooit las: ‘Ik ga dus naar haar op zoek, ik pak haar op waar het me nodig lijkt, op het moment waarop ze zich volgens mij voor het eerst begint te verroeren om mij tegemoet te komen […].’ Welaan dus, mijn lieve Charlotte. Welaan, al wie graag reist door haar land en deBuren, stap maar in de lichte koets, de paarden zijn al bezeten. Kom, op naar het voorbestemde. Een lofrede!

 

Geachte genodigden,


Het is herfst. De zee van de voorbije zomer ziet haast groen van nostalgie. Het bos staat in brand in de verbeelding van de bomen. Zeventig kaarsen op een taart, doorbladerd als de wondere boeken van Charlotte Mutsaers. Alles wat ik van haar weet, ken ik uit die boeken. Ik heb haar nooit eerder in levende lijve ontmoet, zoals het in feite hoort tussen schrijver en lezer. Toch denk ik diep dat ik haar beter ken dan mezelf, zij het in verbeelding. Dat klinkt wellicht wat verwaand – wat heeft die nu in zijn bol gekregen? Maar ik bedoel het, in alle bescheidenheid, letterlijk. Wat ik van haar weet, door wat ik van haar heb ontmoet in haar boeken, heeft te maken met iets wat ik niet van mezelf weet, door toedoen van mijn verbeelding en de plek die zij daarin inneemt. Anders gezegd, een reëel deel van mij bestaat enkel in mijn verbeelding en het draagt de naam van Charlotte Mutsaers, omdat ik het alleen begrijp door naar haar boeken terug te keren en erin te lezen.

Klinkt dat crazy? Misschien zelfs ver heen? Een omweg van de literatuur?

Mogelijk, maar het ware is dat ik dat deel van mij trouw ben als een hond. Het is het deel dat schrijven aan dierenrechtenactivisme paart, wat zeg ik: aan dier-worden. En literatuur aan terreur, aan ‘prisoners of compassion’. Ja maar, hoor ik iemand riposteren, dat is wat jij nu toevallig uit dat werk meegenomen hebt. Kan je laudatio over het werk van Charlotte Mutsaers misschien ook iets verder gaan dan het imaginaire deel dat jij eraan hebt? Het vreemdste is evenwel dat ik denk voor veel (trouwe) lezers te spreken.

Hoe komt dat? En wat heeft Charlotte Mutsaers daarmee te maken, uniek en onnavolgbaar als haar talent is? Elke mens draagt 2 stemmen in zich. De ene stem is die waarmee je spreekt en wordt vereenzelvigd, de fysieke stem waaraan je wordt herkend, vanwege de klank en wat je ermee zegt, de woorden die je gebruikt. Ik noem het de stem van het sociale lichaam. De andere stem echter gebruikt geen woorden, het is de stem die zingt in je hoofd, ‘la musique avant toute chose’. En niemand kan je met die stem ooit vereenzelvigen – ook jijzelf niet – omdat het de stem is van alles wat je telkens opnieuw worden kan. Het is de stem van je imaginaire lichaam. Wie denkt aan de sirenen, de mythische figuur van hun lokkende gezang, weet dat de literatuur van oudsher naar – of door – dat imaginaire lichaam wordt gedreven, door de belofte aan een plaats waar ze er mee samenvalt.

Daar, op die plaats, lokt de afgrond van de eenstemmigheid, een afgrond waarvan we de zuigende kracht voorvoelen wanneer rond een schrijfster als Charlotte Mutsaers een discours groeit dat haar grote eigenzinnigheid fataal opsluit in een consensus die de ware inzet van die eigenzinnigheid miskent, namelijk: stijl als een ontwapenend wapen tegen elke consensus. De zee waarover ze zingt wordt dan het graf van grote prijzen en lofredes waaronder ze wordt bedolven. Het imaginaire lichaam van de muziek die uit haar werk opklinkt is herleid tot de stem waaraan we haar herkennen.

Het is daarom goed om vandaag, ter gelegenheid van de jongste Allerzielen, te gedenken dat de literatuur niet de grote kunst der eenstemmigheid is, een kunst waarin de stem van het sociale en het imaginaire samenvallen,  waarin de wereld naar de wil plooit, alsof het elkaars tegengestelden zijn. De literatuur is de stille kunst die woorden gebruikt, een sociaal lichaam genereert en stem geeft, om aan de muziek van het imaginaire lichaam of het lied dat zingt in je hoofd te appelleren – over alles wat je worden kan: een schrijver, een dier, iemand met een andere logica. Zo kom je, via het werk van de schrijver, uit bij de lezer, en ik bij de kern van mijn laudatio.

Elke schrijver, elk boek waarvan het imaginaire appel je werkelijk raakt, zadelt je op – en hier komt allicht niet toevallig een paard tevoorschijn – met een vraag die je voor jezelf bent, levensgroot en eenzaam te dragen, maar waarop alleen de boeken van die schrijver als een antwoord lezen. En als ik nu zelf probeer om de manier waarmee het werk van Charlotte mij raakt in zo’n vraag te vertalen, dan denk ik dat die luidt: hoe verliefd te blijven? Hoe verliefd te blijven? Dat bedoel ik niet op de sentimentele manier van een onmogelijke romantiek. Zoals in: je blijven kwellen na een blauwtje. Of: uit vrije wil in de rij gaan staan der hopeloze gevallen. Nee, ik heb het over de vitale ervaring van iets wat je in vuur en vlam zet, buiten de vrije wil om. Hoe behoudt je die ervaring? Is dat wel mogelijk? Je kan ook zeggen: misschien is het niet wenselijk. Maar dat is het nu net: je hele bestaan hangt ervan af, en daar kan geen wens iets aan verhelpen.  Vandaar dus: hoe verliefd te blijven? Een zware vraag. Maar zodra ik her-lees, antwoordt het werk in alle lichtheid: door het telkens weer te worden.

Ik doel niet zozeer op verliefdheid als terugkerend thema dat de verhalen aandrijft die Charlotte Mutsaers heeft geschreven. Met hoofdpersonages waarvan het lichaam veroudert terwijl het gevoel de jeugd opnieuw vindt. Ik doel meer op de vitale oervorm waarvan dat de concrete gestalten zijn en waaruit de schrijfster zelf naar eigen zeggen in 1974 een ‘tweede keer’ werd geboren, lezend in het werk van Daniil Charms. ‘Charms’ literaire werk bezit zo’n duivelse metamorfoserende kracht dat je onder het lezen geleidelijk verandert in een soort Claudia [de vrouw op wie hij dodelijk verliefd was].’ En ze voegt er intuïtief aan toe: ‘Maar misschien is dat wel het wezenskenmerk van alle waarachtig meeslepende literatuur, dat het net lijkt of iets speciaal voor jou werd geschreven. Dat het boek ineens in je handen begint te branden als een liefdesbrief die je ter plaatse verjongt en de hele wereld het prachtige aanzien verleent van de Eerste Keer.’

Ziedaar het moment, om Duras te parafraseren, waarop de schrijfster zich een eerste keer verroert 'om mij tegemoet te komen'. En het gaat mij niet om het mythische punt, de geboorte van Charlotte uit het lot van Charms, als Aphrodite uit het schuim van de zee. Het gaat om de noodlottige orde die haar oorsprong en haar toekomst is. Want de waarheid is: het gebeurt telkens weer. Of het nu een schilderij is met haard en hond van Bonnard, een onopgemerkte vogel in het werk van Flaubert of Gilliams, een zout-, peper- en mosterdstel in de vorm van een vis met daarop een dennentakje of een verloren gsm in het Vondelpark die naar een kreeftenactiviste leidt, elke keer opnieuw verschijnt de werkelijkheid aan de schrijfster en haar personages als een ongeziene samenhang waaraan niet valt te ontkomen. Alsof alles is voorbestemd, bijna tot gekmakens toe. Maar daarmee sluit de schrijfster die werkelijkheid niet op in een navelstaarderig universum. Dat zou haar dood zijn. Al schrijvend legt ze net nieuwe verbanden open, charlotteske verbanden waarvan niemand begrijpt dat hij ze nooit eerder had gezien, bizar en vanzelfsprekend. Zodat leven voortaan juist afhangt van de werkelijkheid van haar verbeelding.

Die fictie, want dat is het, is ook je ervaring als lezer – hoe imaginair ook. Het is niet dat je nooit meer op een andere manier dan die van Charlotte door de gedichten van Ponge, de ideeën van Cortázar of door een stad als Oostende kan wandelen. Haar werk laat je vrij. Het zal je nooit verstikken. Maar altijd zal je verlangen terug te keren naar het gelukzalige gevoel van verwantschap waarin zij je, met humor en generositeit, heeft laten delen, dankzij de werkelijkheid van haar verbeelding. Alsof je deel uitmaakt van een literaire familie, het soort familie waarover Jules Renard ooit schreef dat je er vaak je natuurlijke familie verlangt voor in te ruilen. Uiteindelijk geldt daardoor voor de vorm van haar eigen werk wat ze zelf als het geluk ooit omschreef waarnaar elke kunstenaar streeft. ‘Er zijn een paar dingen waar hij nooit van zijn leven buiten kan: een uitzonderlijk, voor mijn part getikt, schift- en ziftvermogen én zowel de drang als het talent als de durf om wat via de volstrekt persoonlijke logica van zijn eigen gevoel geschift in zijn brein is beland, zo adequaat (= doordacht) vorm te geven dat hij daarmee enkele andere breinen weten binnen te sijpelen. De vorm moet het afwezige lichaam vervangen. Lukt het een schrijver bijvoorbeeld om met zijn boek een ander brein op zich verliefd te maken, dan is dat de stralendste kroon op zijn werk.’ Het is mijn eer die kroon hier te passen.

 

Literaire familieleden,


Dierbare Charlotte,


Vandaag vieren we je zeventigste verjaardag. Hou zee! Maar er is iets dat niet verjaart, ‘still crazy after all these years.’ En dat brengt ons te samen. Nog lang en, als bij gezocht toeval, gelukkig.

Tom Van Imschoot

Charlotte Mutsaers © Ronald Giebel

Vertel het verder: