Deze website wordt niet langer ondersteund in Internet Explorer. Update hier je browser voor een betere ervaring.

Kwetsbaar in Kaapstad

Op verzoek van Antjie Krog reisde de Vlaamse dichteres Delphine Lecompte af naar Zuid-Afrika om Erfenisdag mee te vieren. Lecompte nam haar bonte eigen erfenis mee en kwam tot een rigoureus besluit: 'Geen incestueuze imkers meer of verdorven touwslagers en al helemaal geen taxidermisten meer. Nooit meer opgezette dieren in mijn po√ęzie!' Hoe dat zo? Lees hier haar reisverslag!
Door Delphine Lecompte op 23 okt 2012
Tekst
Literatuur & taal

Op verzoek van Antjie Krog reisde de Vlaamse dichteres Delphine Lecompte af naar Zuid-Afrika om Erfenisdag mee te vieren. Lecompte nam haar bonte eigen erfenis mee en kwam tot een rigoureus besluit: 'Geen incestueuze imkers meer of verdorven touwslagers en al helemaal geen taxidermisten meer. Nooit meer opgezette dieren in mijn poëzie!' Hoe dat zo? Lees hier haar reisverslag!


Ik ben op weg naar Kaapstad. Mijn muze en mijn hypochondrie reizen mee. In het vliegtuig probeer ik het Oude Testament te lezen, maar ik kan me niet concentreren op Gods korzeligheid, dus tel ik de oorharen van mijn medepassagiers: 35.914. Buiten vriest het en ik vergeet niet mijn voetoefeningen te doen. We vliegen over Congo, dé Congo (waar mijn vader geboren is, waar mijn muze gevochten heeft) en niemand maakt amok. Uiteindelijk val ik in slaap op de schouder van een struise tapijtenrestauratrice. Mijn muze bekijkt de hele nacht dezelfde stomme film.

 

Dag een


De luchthaven van Johannesburg is proper en ‘proudly African’. Onze handbagage wordt streng gecontroleerd; mijn muze verliest zijn nagelschaartje. Tijdens de vlucht van Johannesburg naar Kaapstad rouwt mijn muze om het verlies van zijn nagelschaartje en een anemische Duitser stikt bijna in de krulsla van zijn vegetarische vliegtuigsandwich. De luchthaven van Kaapstad is net en fier, amper dreigend.

Een blanke vrouw stuitert op ons af. Ze heeft een uitbundige, Griekse naam en een gemakkelijk gezicht: gemakkelijk om te onthouden, simpel om verliefd op te raken. Mijn muze is verloren (denk ik dramatisch) en ik wend mij chagrijnig af van hun keuvelende kameraadschappelijkheid in de jeep die ons naar het residentiële Pinelands voert. Ik kijk reikhalzend uit naar mijn eerste exotische beest. Drie uur later heb ik al meer dan dertig ibissen gespot en duizend trossen prikkeldraad. Ik kijk smachtend uit naar mijn eerste exotische hoefdier.

Mijn muze en onze geestdriftige gids animeren elkaar met wijn en Vlaamse aftelrijmpjes, terwijl ik in de slaapkamer van het gastenverblijf tuur naar Kievit de zwembadreiniger. Kievit is zwart. Iedereen die werkt in Pinelands is gekleurd.

Ik verlaat de slaapkamer en ga op zoek naar de eigenares van ons gastenverblijf. Ik vind haar in de keuken. Ze staart dromerig naar een berglandschap van een Kaapse impressionist. Ze zegt: ‘Je ziet het niet. Je ziet het niet aan het schilderij dat mijn vader een beul was … ’. Ze zegt het dromerig, ze weet misschien niet dat ik er ben. Mensen in Kaapstad zijn angstaanjagend.

Ik kuch en vraag hoe ik België kan bereiken. ‘Waarom wil je België?’ vraagt ze. ‘Ik wil België niet!’ snauw ik. ‘Ik wil gewoon weten of mijn moeders melanoom goedaardig is!’ lieg ik. Uiteindelijk geeft ze mij een magische handtelefoon en een eenvoudige code, maar ik bel mijn moeder niet. Ik ga naar de tuin.

De geestdriftige gids en mijn muze zijn nog altijd twee handen op een buik. Het woord kolonialisme valt en Kievit niest. Vijf minuten later niest hij nog steeds, maar het gesprek gaat niet meer over kolonialisme. Na de snoekmaaltijd neemt de geestdriftige gids afscheid van ons met de belofte zo vlug mogelijk terug te keren. In de slaapkamer neemt mijn muze het bed bij de deur. Ik slaap bij het vergrendelde raam. Mijn eerste nacht in Kaapstad is droomloos.


 

Dag twee


Mijn tweede dag in Kaapstad is paradijselijk: ik verlies mijn heimwee en ik spot een helle hagedis. Ik eet Britse kaastaart en ik ontferm mij over een wegwerphond. Mijn muze en de geestdriftige gids komen nog altijd veel te goed overeen, maar het deert me minder. Op de Tafelberg ontmoet ik een zwarte wiskundige die dichter is. Ik kom eerst te weten dat hij dichter is. Hij draagt een gedicht voor, het gaat over een doopfeest in een sloppenwijk. ‘Gebaseerd op ware feiten,’ zegt de wiskundige dichter achteraf. Hij is trots op zijn gedicht. Hij trakteert mij op een ijsje.

Na de Tafelberg voert de geestdriftige gids ons naar een kleine haven. Terwijl mijn muze kralen uitzoekt voor zijn mercantiele dochter, probeert de gids een jonge barracudaverkoper te verleiden. Het lukt, hij is bekoord. Ze nemen een boot en verdwijnen. Mijn muze is er het hart niet van in. We besluiten te voet naar Pinelands terug te keren. Vijf uur later erkennen we dat we verdwaald zijn. Een Kaapse glazenwasser op weg naar huis krijgt medelijden met ons; hij loopt met ons mee. Dertig minuten later weten we dat de Kaapse glazenwasser droomt van een circusleven in Europa, dat zijn oudste dochter vorig jaar gewurgd werd door een Bosnische toerist en dat zijn jongste zoon een biografie over André Brink aan het schrijven is.

Nog eens dertig minuten later liggen mijn muze en ik uitgeput op onze aparte bedden. Ik wil niet meer terug naar Brugge. Ik wil dichter zijn in Kaapstad. Mijn muze zegt dat hij niet meer terug wil naar Brugge; hij wil een nieuw leven als frituuruitbater opbouwen in Zuid-Afrika. Hij is nog maar 79. Afgesproken.

Mijn tweede nacht in Kaapstad droom ik van de wiskundige dichter op de Tafelberg, maar in mijn droom is hij glazenwasser in Brugge. Hij wast de ruiten van een tandartsenpraktijk. Ik lig clownesk gekleed in de tandartszetel. Wanneer mijn lievelingstand wordt getrokken, schiet ik wakker.

 

Dag drie


Mijn derde dag in Kaapstad is een werkdag. Hoera! Ik heb eindelijk een functie. In de universiteit van Stellenbosch mag ik de tweedejaarsstudenten Afrikaans van Alfred Schaffer toespreken. En ik mag mijn gedichten voordragen. Voel ik mij onnozel wanneer ik in Zuid-Afrika een gedicht over opgezette hazen voordraag? Nee. Blijft het gedicht overeind in Zuid-Afrika? Dat weet ik niet. Dat is een domme, ijdele vraag (die ik mijzelf niettemin stel).

De studenten van Alfred zijn ontwapenend, nieuwsgierig en blank.

Na de lezing gaan we met z’n allen (muze, geestdriftige gids, Alfred en ik) naar Protea, de mooie boekenwinkel van de vriendelijke reus Louis Esterhuizen. Ik koop Antjie Krog voor mijn moeder. Een kookboek voor mijn vader. En de bijbel in het Afrikaans voor mezelf.

Mijn derde nacht in Kaapstad droom ik van mijn vader. Hij is goochelaar op een cruiseschip. Hij draagt contactlenzen die zijn ogen paars maken. In de droom ben ik tien jaar ouder dan hij, maar toch zijn dochter.

 

Dag vier


Mijn vierde dag in Kaapstad is opnieuw een werkdag. Bah! Ik ben lui. Maar mijn luiheid verdampt wanneer ik in de ‘ruige’ universiteit van West-Kaapstad de gepassioneerde, grootmoedige én moederlijke Antjie Krog ontmoet. Ze geeft me koffie en cupcakes.

Ik ontmoet haar studenten. Ze zijn ontwapenend, nieuwsgierig en gekleurd.

Ze lezen hun gedichten voor in het Afrikaans. Hun gedichten zijn gewelddadig en kwaad.
Ik voel mij een hansworst wanneer ik mijn gedicht over opgezette hazen moet voorlezen, maar de studenten vinden het gedicht grappig.

Het is de bedoeling dat ik de studenten van Antjie tips geef om hun gedichten te veranderen (verbeteren?). Ik kom helaas niet verder dan: ‘Misschien zijn verbrijzelde hersenen op vuilnisbakken te expliciet?’ en ‘Persoonlijk zou ik God van de tweede naar de vierde strofe verplaatsen.’

Na de ‘Poetry Workshop’ mag ik nogmaals voordragen. In een groot auditorium. Als enige Europese dichter. Als enige escapist. Ik word niet uitgelachen. Ik ben tevreden.

’s Avonds drinken mijn muze en ik heel veel rode wijn in onze gastenkamer in Pinelands. Ik maak onszelf wijs dat ik vanaf nu nog enkel politieke gedichten zal schrijven. Geen incestueuze imkers meer of verdorven touwslagers en al helemaal geen taxidermisten meer. Nooit meer opgezette dieren in mijn poëzie!

Mijn vierde nacht in Kaapstad droom ik dat ik gedoopt wordt. Ik ben zes jaar en kan al ‘SLACHTHUIS’ spellen. Mijn grootvader wordt mijn peter. Hij geeft mij een uitgeholde olifantenpoot als doopcadeau.

 

Dag vijf


De vijfde dag in Kaapstad staat helemaal in het teken van druiven. De geestdriftige gids wil mijn muze alle wijngaarden van Paarl tonen. Ik heb een kater en besluit chagrijnig in Pinelands te blijven om te schrijven. Mijn notaboekje blijft leeg, wit, blank.

Er is hier te veel: te veel wegwerphonden, te veel sloppenwijken, te veel lepelaars, te veel randen, te veel verontwaardiging, te veel bergen, te veel dreiging, te weinig apothekers …
Ik wil mijn zintuigen stomp maken, maar dat zou zonde zijn.

Mijn hart klopt idiosyncratisch, met andere woorden: ik ga dood. Maar dan tikt Kievit de zwarte zwembadreiniger op de ruit. Ik leef en hij wil mij een bloem tonen. ‘Baie mooi,’ zeg ik verbijsterd. Niet door de bloem verbijsterd, maar door Kievit. De gastvrouw verschijnt en we stuiven uit elkaar als betrapte kinderen.

Terug achter het raam schrijf ik een afschuwelijk gedicht over een zwarte zwembadreiniger die mijn leven redt en mijn tanden trekt. Sentimenteel en dus verwerpelijk. Ik gooi het weg en bekijk een Zuid-Afrikaanse documentaire over Johnny Cash.

Mijn muze komt dronken toe. Hij declameert 'Boerke Naas' en valt in slaap.
Het is 18u en ik trek naar de dichtstbijzijnde supermarkt van Pinelands. Ik koop platte kaas en chocolade. Ik betaal met twee briefjes waarop olifanten staan.

De vijfde nacht in Kaapstad droom ik dat ik dik en gelukkig ben.

 

Dag zes


De zesde dag in Kaapstad is onze laatste dag in Kaapstad. Onze geestdriftige gids staat erop afscheid te nemen met een tuin. Een bezoek aan de mooiste botanische tuin van Afrika. Vermoedelijk.

Mijn muze en gids dwalen af. Ze bedrijven de liefde tegen een apenbroodboom. Misschien.

Ik word aangesproken door een profetische tarentaal. Hij zegt dat mijn terugreis zonder obstakels zal verlopen. En dat ik in Brugge een maand nodig zal hebben om Kaapstad uit te zweten. Ik zal gedichten over incestueuze imkers en verdorven touwslagers blijven schrijven. Maar ik zal helaas een hypochondrische angsthaas blijven. Ach, wat weet zo’n tarentaal, brutale vlerk?!



De terugreis verloopt zonder obstakels.

 

Terug in Brugge


Mijn eerste gedicht in Brugge gaat over Kievit de zwarte zwembadreiniger. Daarna schrijf ik opnieuw over imkers, klompenmakers en touwslagers. Na twee weken heb ik Kaapstad min of meer verteerd.

Mijn muze spaart om zo vlug mogelijk terug te keren.

 

Delphine Lecompte debuteerde met de bundel De dieren in mij, publiceerde vervolgens Verzonnen prooi en brak door met Blinde gedichten (2012). Op 12.12.12 is zij een van de gasten tijdens De Literaire Loketten: de Lente, de Muziek en Devriendt. Ze hield in 2011 een Literair Pleidooi voor Herman de Coninck.

 

Vertel het verder: