Over de zin van de dood en het nut van journalistiek

Naseema heet ze, en dat betekent een zuchtje wind, zegt ze. Zo onopvallend en zacht is ze ook. Ik zit met Naseema in een hemelsblauw geschilderde kamer met rode, geborduurde kussens, waar ze sinds september 2009 alleen nog komt om te poetsen.
Door Gie Goris op 31 mrt 2011
Tekst
Politiek & samenleving

Gie Goris, hoofdredacteur van MO*, nam zes maanden vrij om te werken aan boek over Zuid-Azië. Op reis in de regio, samen met zijn zoon en fotograaf Brecht Goris, houdt hij voor deBuren een blog bij. In het najaar wordt er in de Beursschouwburg een tentoonstelling georganiseerd met de foto’s van Brecht Goris.

Naseema heet ze, en dat betekent een zuchtje wind, zegt ze. Zo onopvallend en zacht is ze ook. Ik zit met Naseema in een hemelsblauw geschilderde kamer met rode, geborduurde kussens, waar ze sinds september 2009 alleen nog komt om te poetsen. Vandaag nodigt ze me uit in die kamer, omdat ik gekomen ben om te praten over Mudasir, haar zoon die twee jaar geleden op achttienjarige leeftijd doodgeschoten werd door Indiase ordediensten. Dit was zijn kamer.

Mudasir Ahmed Kachroo was de trots van het gezin, en dat niet alleen omdat hij de oudste zoon was. Hij was ook een succesvol voetbalspeler, die bij Goa speelde. Zijn moeder zoekt in een kast in de hoek van de kamer en komt terug met een grote enveloppe, waarin foto’s zitten: Mudasir op het strand van Goa, Mudasir in sportoutfit, Mudasir en zijn vader. Er zitten ook een agenda, een geheugenkaart, diploma’s en schriftjes in de enveloppe. Daarin hield Mudasir bij hoeveel hij verkocht als hij, net als zijn vader, met de groenten- en fruitkar de straten van Sopore deed. 120 roepie. 200 roepie. 145 roepie. Echt rijk word je niet van de ambulante handel. Maar de laatste jaren deed Mudasir de ronde alleen nog in de vakanties. Ook in 2009.

 

Het was een zomer van onrust in Kasjmir, nadat twee vrouwen verkracht en vermoord teruggevonden waren in Shopian. De straatprotesten verspreidden zich van Shopian naar Srinagar, tot in Sopore en verder. Mudasir bleef meestal thuis, zegt zijn moeder. Hij kon uren aan de computer doorbrengen –hij had dan ook een bachelor in computerwetenschappen. De computer staat nog op het bureau, onder een plastic stofkap, werkeloos. Op 15 september ging Mudasir naar het avondgebed in de vlakbij gelegen buurtmoskee. Toen hij daar buiten kwam, werd hij neergeschoten door de Indiase veiligheidstroepen die zich voor de moskee verzameld hadden. ‘Er was geen aanleiding, er is ook nooit een verklaring gegeven voor het neerschieten van mijn zoon’, zegt Naseema met gedempte stem. Er gold wel een samenscholingsverbod, maar er waren geen demonstraties geweest, niemand had met stenen gegooid. En al zeker Mudasir niet.

 

Een paar dagen later kreeg de aangeslagen familie wel een telefoontje vanuit India. Om te melden dat Mudasir een nieuw contract kreeg bij een professionele voetbalploeg. De naam herinnert Naseema zich even niet.


‘Het leven is sinds die dag in september 2009 bitter geworden’, zegt Naseema. Ze kan er niet over praten met haar man, en dus hangt het verlies als een donkere wolk tussen hen in. Op mijn vraag of ze vaak naar het graf van haar zoon gaat, slaat ze de ogen neer. Neen, daar is ze nog nooit geweest. Dat mag niet volgens de traditie van het geloof. Met de buren wordt er ook al niet over de veel te plotse en onaanvaardbare dood gesproken, zelfs niet met de gezinnen die ook een zoon verloren hebben in de oneindige jaren van politiek geweld in de Vallei van Kasjmir.

 

Een eenvoudige print. Dat is het enige tastbare teken van appreciatie voor haar zoon dat overblijft. De appreciatie betreft niet het leven van Mudasir, maar zijn dood. Op het in vier gevouwen papier staat dat Mudasir Ahmed Kachoo een shaheed is: een martelaar is gesneuveld is in de strijd tegen de verdrukker en bezetter, India. Het is niet duidelijk of dit nu een schrale troost is, of de ultieme bevestiging voor een jongen die veel te vroeg gestorven is. Naseema laat het in het midden. Het martelaarsbrevet zit gewoon tussen de diploma’s en de kladschriften.

Tijdens andere gesprekken in Kasjmir hoor ik hoe belangrijk het martelaarsschap is voor de diepgelovige Kasjmiri’s. Hoeveel mensen er sinds het begin van de gewapende opstand in 1989 gedood zijn door de ordediensten, is onduidelijk. Het gaat in elk geval om tienduizenden levens. Door al die doden het statuut van martelaar te geven, krijgt de hele strijd voor elfbeschikking en onafhankelijkheid een sacraal karakter. En het wordt ook quasi onmogelijk om politieke compromissen te sluiten, want alles wat minder is dan de hele onafhankelijkheid wordt al snel afgedaan als verraad tegenover de martelaren, die hun bloed gaven voor het hogere doel van de vrijheid. En wie wil er nu met dat verwijt verder leven?

Naseema geeft niet de indruk dat ze die harde lijn toegedaan is. Bij het afscheid houdt ze het niet meer. Ze breekt, midden in de kamer van haar zoon. Haar vermoorde zoon. Haar geliefde zoon. ‘Soms zou ik mezelf voor het hoofd slaan’, zegt Zahid, die mee was en vertaalde. Hij is journalist en heeft al talloze keren de verhalen opgetekend van vaders en moeder, vrienden en broers en zussen van de Kasjmirse shaheeds. Maar het went niet. ‘Deze vrouw was haar huishouden aan het doen. Misschien hing het verlies van haar zoon als een voile over haar leven, maar het stond niet levensgroot in het midden van haar bewustzijn. Door onze komst, door het gesprek in zijn kamer, is haar hele dag en misschien haar hele week verscheurd door wat anderhalf jaar geleden gebeurd is. Heeft dat zin? Wat heeft zij eraan? Wat verandert er aan het onrecht en het verdriet dat deze mensen aangedaan wordt?’

 

Het zijn open vragen, en Zahid heeft er ook geen antwoord op. Zijn zucht, dat hij soms liever voor een ngo zou werken die daadwerkijk iets betekent voor mensen, waait zo weer weg. Verhalen vinden en verhalen vertellen: het helpt het onrecht niet de wereld uit, maar het is noodzakelijk om de ware omvang van dat onrecht bij meer mensen bekend te maken. En ja, we zouden allebei willen dat de pijnlijke herinnering die we wakkergemaakt hebben gebalsemd zou worden door het besef dat je pas echt dood bent als iedereen je is vergeten.

 

Herinnering, besef ik, is een tweesnijdend zwaard. Wie leeft in de gedachten van anderen, is nooit dood. Maar soms zou je de afgestorvene zacht te rusten willen leggen, voor altijd, zodat ook de omgeving vrede kan vinden.

 

 

Het journalistieke project van Gie Goris komt tot stand met steun van MO* en het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Het fotografieproject van Brecht Goris krijgt de steun van deBuren, de Beursschouwburg en de Warande (Turnhout).

Vertel het verder: