Religie in het verdomhoekje van de klas

Van 7 tot 9 december werd in Brugge de Conference on Religion, Beliefs, Philosophical Convictions and Education gehouden. deBuren vaardigde Judith van der Wel uit als razende religiereporter. Van der Wel volgt een onderzoeksmaster Religiestudies aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en won de essaywedstrijd 'Beste Multatuli, ...'.
Door Judith van der Wel op 21 dec 2010
Nieuws
Politiek & samenleving
Filosofie & religie

Van 7 tot 9 december werd in Brugge de Conference on Religion, Beliefs, Philosophical Convictions and Education gehouden. deBuren vaardigde Judith van der Wel uit als razende religiereporter. Van der Wel volgt een onderzoeksmaster Religiestudies aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), liep stage aan de Max Havelaar Academie en won de essaywedstrijd 'Beste Multatuli, ...'.

Vroeger was het duidelijk. België was katholiek, Nederland verzuild en toen we net aan het seculariseren waren, kwamen er moslims. Vermoeiend, zo’n nieuwe Beeldenstorm (zij het figuurlijk, verlicht als we zijn)! Moesten we weer uitleggen wat de scheiding tussen kerk en staat is en dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn… Of ging het anders? Legden België en Nederland hun Westerse, seculiere waarden op aan immigranten? Maakten moslims religie weer relevant in het publieke domein, zoals René van der Linden, voorzitter van de Eerste Kamer, beweert?

De komst van immigranten, en in het bijzonder van moslims, heeft er in ieder geval toe geleid dat West-Europese landen zich moeten heroriënteren op de plaats van religie in het publieke domein. Ook in het onderwijs is het niet duidelijk wat wel en niet mag. Hoofddoekjes op school, een biologieboek zonder evolutietheorie, de weigering van homoseksuelen op religieuze scholen. Het valt rechters zwaar om zich in deze zaken neutraal op te stellen, conform de scheiding tussen kerk en staat. Als een rechter bijvoorbeeld vonnist dat een leraar zijn crucifix uit zijn klaslokaal moet verwijderen, kan hem verweten worden dat hij seculiere waarden boven christelijke stelt. Laat hij daarentegen het kruis hangen, dan is het ook maar de vraag of hij neutraal optreedt.

Dergelijke kwesties kwamen aan bod tijdens de interdisciplinaire Conference on Religion, Beliefs, Philosophical Convictions and Education die van 7 tot 9 december j.l. in Brugge werd gehouden. De organisatoren – ELA (European Association for Education Law and Policy), Forum, het College van Europa en de Universiteit van Tilburg – hadden gerenommeerde juristen, politici en wetenschappers uitgenodigd om hun visie te geven op de plaats van religie in het onderwijs.

De aanwezige juristen lieten in hun lezingen strijdigheden in de wet zien. Zowel Riza Mahmut Türmen als Albie Sachs, allebei rechter en mensenrechtenactivist in respectievelijk Turkije en Zuid-Afrika, legden zaken voor waarin zij wetten tegen elkaar moesten afwegen. Türmen pleitte ervoor om algemene Europese standaarden op te stellen om te kunnen beoordelen wat er op religieus gebied is toegestaan in het onderwijs. De Advocaat-Generaal van het Europese gerechtshof, Julia Kokott, bracht daar tegenin dat de verhouding tussen kerk en staat zozeer verschilt tussen Europese landen dat er niet één standaard vastgesteld kan worden. Zo is katholiek onderwijs normaal in Spanje en Polen, terwijl dat in Frankrijk niet denkbaar is. Kokott pleitte daarom voor een vorm van case law: per land bekijken wat het beste is.

Vanuit een heel andere invalshoek maakte ook Charles Glenn, hoogleraar educatie aan de Universiteit van Boston, een vergelijking tussen landen. Als Amerikaan viel het hem op dat er in de Verenigde Staten minder angst bestaat voor moslims dan in Europa, ondanks hun war on terror. Eén van de redenen die Glenn hiervoor gaf was dat er in Amerika meer gelovigen zijn dan in Europa. Dit maakt dat Amerikanen religie, en dus ook de islam, waarderen als iets dat hen tot betere mensen maakt. Bovendien zijn hun ervaringen met religieus onderwijs beter. Uit onderzoek blijkt dat Amerikanen die op een katholieke school zaten goed geïntegreerd zijn in de samenleving. 'Dus,' vroeg Glenn zich af, 'zouden islamitische scholen niet beter functioneren dan de zogenaamde "zwarte scholen" die Nederland nu bijvoorbeeld heeft?'

Dat blijkt iets tegen te vallen… Ben Vermeulen, hoogleraar onderwijsrecht en lid van de Nederlandse Raad van State, vertelde op het congres dat van de 50 Nederlandse islamitische scholen 30 redelijk tot goed presteren en 20 zwak staan. Wel was hij het met Glenn eens dat veel Nederlanders de islam en het orthodoxe christendom zien als gevaarlijke, irrationele krachten, die beperkt moeten worden in hun bewegingsvrijheid. Deze mensen pleiten voor een zeer strikte scheiding tussen kerk en staat en vergeten daarbij dat dit principe zelf niet neutraal is, maar op seculiere en liberale waarden berust. Vaak hanteren zij een marktfilosofie waarin zij orthodoxe scholen aan dezelfde regels onderwerpen als bedrijven, zodat er geen ruimte meer is voor hun religieuze visie. In de praktijk kan dit betekenen dat een orthodoxe school geen eisen mag stellen aan de religieuze achtergrond van haar docenten, omdat dit in bedrijven als discriminatie geldt. Maar verliest een orthodoxe school niet haar identiteit als deze niet meer mag zeggen wat kosjer, halal of zuivere leer is? Vermeulen riep ertoe op om de godsdienstvrijheid te beschermen. Religie zit immers al snel in het verdomhoekje…

Vanuit die gedachte voerden ook de twee moderatoren van het congres, Jan De Groof en Wim van de Donk, hun sprekers steeds terug naar de hoofdvraag: hoe kunnen we een houding van passieve tolerantie naar religie veranderen in een houding van actieve waardering? Het meest concrete antwoord op die vraag gaf Hent de Vries, hoogleraar aan de John Hopkins University van Baltimore. Hij stelde voor om een religieuze canon op te stellen met een minimum aan feiten dat leerlingen moeten leren. Helaas stond zijn voorstel nog zo in de kinderschoenen dat niet duidelijk werd wat wel en niet in de canon mocht en wie die mocht opstellen. Toch was zijn voorstel minder abstract dan de eeuwige roep om ‘de dialoog’.

Herman van Rompuy, voormalig premier van België en voorzitter van de Europese Raad, liet als eerste dit woord vallen. In een videoboodschap vertelde hij dat religie belangrijk is als tegenwicht voor het doorgeslagen individualisme in onze maatschappij. Net als zijn Nederlandse oud-collega Jan-Peter Balkenende doelde hij daarmee op het belang van religieuze normen en waarden. De socioloog Hans Joas sputterde echter tegen bij die redenering. Hij bracht naar voren dat religie meer is dan een waardesysteem en niet op instrumentele wijze gebruikt mag worden om de samenleving te lijmen. Wel pleitte hij net als Van Rompuy voor een dialoog tussen de verschillende godsdiensten. Hans-Peter Füssel, hoogleraar ‘bestuurlijke problemen in het onderwijs’, merkte echter terecht op dat gespecificeerd moest worden wat het doel is van de dialoog, wat de onderwerpen zijn en onder welke voorwaarden gezegd kan worden dat de dialoog geslaagd is.

Maar ondertussen waren we al in dialoog… Dat wil zeggen: een groep blanke mannen van middelbare leeftijd met gerenommeerde posities in de wetenschap, politiek of aan het gerechtshof was met elkaar in dialoog. Vrouwen, jongeren en minderheden waren ondervertegenwoordigd. De twee representanten van moslimorganisaties kregen samen nauwelijks een kwartier spreektijd en geen enkele vraag van de luisterende wetenschappers. Verder was er één seculier (!) joodse man en waren er geen hindoes of boeddhisten. De Engelse barones Haleh Afshar, oorspronkelijk afkomstig uit Iran en nu werkzaam aan de universiteit van York, begon op de laatste dag van het congres dan ook met de woorden: 'This is a dialogue of the deaf!' Met een vrolijke strijdbaarheid legde ze uit dat westerlingen moslims wel konden verwijten dat zij vrouwen onderdrukten, maar dat op dit congres vrouwen systematisch doodgezwegen werden. Ook moslima’s. Ook leraressen. Kortom, minstens de helft van degenen over wie dit congres ging. 

Leraren en schooldirecteuren kwamen namelijk helemaal niet aan het woord. Alleen Paul Weller, theoloog aan de universiteit van Derby, en Barones Afshar keken zelfkritisch naar hun colleges, maar de rest bleef bij zijn onderzoek. Leraren en schooldirecteuren van basis- en middelbare scholen waren zelfs niet op de conferentie aanwezig. Wel waren er twee toehoorders met wie ik toevallig in gesprek raakte die het vak Zingeving gaven aan een hogeschool. Een van hen liet mij vol enthousiasme zijn lesmethode zien die zo goed doordacht was dat hij de canon overbodig leek te maken. Hij vertelde over het wantrouwen waarmee hij geconfronteerd werd als hij chassidische (ultra-orthodoxe) joden uit Antwerpen godsdienstonderwijs wilde geven en hoe hij hun vertrouwen wist te winnen. Hij kwam niet met dé oplossing voor de omgang met religieuze diversiteit, maar met zijn manier.

 


Was het dan een mislukt congres? Niet op academisch en beleidsmatig niveau. De conferentie was uitstekend georganiseerd, de deelnemers waren enthousiast en de sprekers hielden boeiende en kwalitatief goede voordrachten vanuit hun verschillende wetenschappelijke disciplines. Het congres was echter zinvoller geweest, als de publiekelijk toegankelijke openings- en eindlezingen daadwerkelijk gebruikt waren om het gesprek op gang te brengen tussen mannen en vrouwen, religieuze stromingen en vooral tussen wetenschappers en leraren die  uit ervaring kunnen spreken over de sterke en zwakke punten van het huidige systeem.

Vertel het verder: