Wakker

'... bén ik zwart? Of hoe wit ben ik dan?' vraagt Emma Lesuis zich af in dit essay. En 'moet ik iets met die diversiteit?'
Lees/luister/kijk
Schrijfresidentie Parijs
Door Emma Lesuis
© Marianne Hommersom

In de zomer van 2016 was Emma Lesuis met deBuren op schrijfresidentie in Parijs. Daar zoekt haar weg in een wolkje van zwart-witte twijfels: moet zij een activist zijn? En op welke manier dan? Is ze 'zwart genoeg om ten strijde te trekken'? En voelt ze zich wel thuis tussen uitgesproken activisten? Naar aanleiding daarvan ontstond dit essay. Wakker vormt de basis voor het essay De stille activist in mij, waarmee Emma in 2017 de essaywedstrijd Het nieuwe verschil van literair tijdschrift nY won.

Ik ben in Parijs met schrijvers die de pen hanteren alsof ze het leven louter in woorden kunnen vatten. Die boeken schrijven. Filosofen quoten. Ze hoppen van bibliotheek, boekhandel en weer terug naar daar waar het veilig is. Het huis, het hoofd, de pen. In de tas een notitieboek. Kleding uit de second hand store. En zuigend aan die sigaret overpeinzen ze datgene wat ze net hebben gelezen.

 

Ik kijk rond, denk na en vraag me af: wie ben ik hier? Ik stel slechts vragen aan de ander en voorzie mijzelf van kennis. Egoïstisch wellicht, simpel misschien, maar zo is het. Ach schrijvers, het liefst leen ik jullie woorden, jat jullie gedachten en maak daarmee mijn eigen story. Jullie schreven binnen, mijn schrijftafel was bezaaid met spullen, mijn werkplek was de stad. Ik moest Parijs, ik moest verhaal. Daarbuiten ligt het toch?

 

Maar ’s avonds wanneer ik languit lag in mijn eenpersoonsbed in kamer 210 keerde ik armoedig terug naar binnen. Gek genoeg, soms twijfel ik en dat begon zo:

 

 

Een aantal jaar geleden liep ik stage bij de Nederlandse Publieke Omroep. We hadden een jaarvergadering, een man in streepjespak ijsbeerde over het podium. De redacteurs zaten klaar met een wit wijntje in de hand (‘Laten we het gewoon doen!’ elleboogden ze tegen elkaar). De man schraapte zijn keel. Zette het water aan de mond en sprak zoals alleen managers in streepjespakken dat kunnen. ‘Wat gaan we dit jaar zien?’ vroeg hij zich hardop af. Een kukeleku van een haan in een kippenhok. De voorspelbare programma’s kwamen voorbij: Boer zoekt vrouw, de detectives… En slechts een aantal slides verwijderd van Yvon Jaspers met een grasspriet in haar mond, verscheen het kopje ‘diversiteit’ op het scherm, met prompt mijn naam eronder.

 

‘Het gaat goed met de diversiteit’, sprak hij. Vanbinnen voelde ik een bommetje dat niet ontplofte. ‘Mag ik daarom deze stage doen?’ was mijn gedachte. Ik ben uiteraard voor meer diversiteit en zeker in de media, maar gaat dat niet verder dan de kleur van de huid en de haren op het hoofd? Ik vroeg me af wat er zo divers aan mij was: niet mijn naam, niet mijn achtergrond, de Vlaamse studie ‘Woordkunst’ die ik genoot? Het kantoor van de manager zat naast onze redactie. Elke dag zoefde hij voorbij en het enige wat hij kon zien, was dat de kleur van mijn huid iets donkerder was dan die van mijn collega’s.

 

Een aantal dagen later zat mijn stage erop. Gepast trakteerde ik met Zoenen: witte substanties omgoten met chocola. Met de traktatie liep ik naar zijn kantoor en opende mijn gele doos: ‘Dankuwel voor de di-ver-si-teits-stage’, zei ik luid en duidelijk.

‘Graag gedaan! Heb je een fijne tijd gehad?’ vroeg de manager.

‘Ja.’

De man wreef over zijn buik (‘dieet, haha’) en wees mijn Zoenen af. Hij begreep het niet. Hij begreep er niets van.

‘Dankuwel voor de di-ver-si-teits-stage’, zei ik luid en duidelijk.

Sindsdien twijfel ik soms. Ik bekijk onze groepsfoto en zie mijn bruine zelf, met die tuinbroek aan. Hoe bepalend is de kleur van mijn huid en zijn de krullen op mijn hoofd? Wanneer ik in de spiegel kijk, zie ik mijn scheef geëpileerde wenkbrauwen, de wallen van de vorige nacht, ik zie mezelf. Maar wat ziet een ander?

 

 

‘Vind je mij zwart?’ vroeg ik aan een vriend, type blond haar, blauwe ogen, genaamd Jan. Een stilte.

 

‘Of doe ik wit?’ dacht ik erbij. Jan was op zijn ongemak. Zoals altijd als Jan ongemakkelijk is, wuifde hij zijn haren opzij waardoor een aparte scheiding volgde. ‘Je bent ook gewoon een meisje uit Leiden. Ofzo. Met een witte vader die huisarts is. Misschien heb je het beide in je?’

 

Mijn donkere kijkers staarden in zijn helderblauwe ogen die me deden denken aan de ogen van mijn vader. Mijn vader die werd geboren in een dorp bij Rotterdam dat niet meer bestaat, dat is opgeslokt door water, haven en voornamelijk door tijd. Eigenlijk is mijn vader van nergens meer, maar in tegenstelling tot de rest van ons gezin, wel echt van hier.

 

‘Maar bén ik zwart? Of hoe wit ben ik dan?’ Ik wilde van hem weten of hij soms wist hoe het voelt om een kleur te zijn. Het werd een gefabriceerd gesprek, oppervlakkig. Hij kent me toch als Emma en niet als ‘Zwart’ of ‘Wit’? De scheiding op zijn hoofd kon niet groter.

 

 

In Parijs hingen die twijfels als een wolkje om me heen. Manisch rende ik rond, als een kind met te veel rood-groen-gele snoepjes op, tegen het wolkje in. ‘Jij vreet het leven,’ zei een schrijver. Zie me ’s nachts uitgeput strompelen naar kamer 210. Het raam staat open, de stad suist door de kamer. Ik ben wakker. Zie me liggen in mijn eenpersoonsbed met mijn armen onder mijn hoofd, te staren in het niets en daar is het wolkje weer. Welk verhaal ga ik vertellen, moet ik iets met die div...?

 

Het is vier uur geweest, het is alweer vier uur geweest. En dan doe ik wat ik vaker doe als ik de slaap niet kan vatten: ik verslind artikelen waarin ‘white privilege’, ’black consciousness' en andere -uit Amerika overgewaaide- termen voorkomen. Ik maak me boos. Ik koel af. Ik ben het er niet mee eens, of toch een beetje. Maar bovenal: ik houd mijn mond. Wat zou ik dan moeten zeggen? Ben ik wel zwart genoeg om ten strijde te trekken? Benadeeld genoeg om mijn vuist te heffen? Oh solipsisme verdwijn! En wens mezelf de kleine dood!

 

 

Ik bespreek mijn twijfels met de activiste onder ons. We ontmoeten elkaar in Brasserie Barbes, nabij het wervelende la Goutte d’Or. Uit het ongelofelijke aanbod van wereldse eettentjes, kies ik net die ene hippe dure tent uit. Daar zit ik in mijn tuinbroek en in dat streepjesshirt, keurig aan de Côte de Provence. Ze moet erom lachen en vertelt me over de controverse over deze witte plek, de belichaming van gentrification. Ik schaam me lichtelijk voor mijn keuze en moet denken aan het boek White innocence van Gloria Wekker. Daarin stelt ze dat witte onschuld niet verbonden is met de huidskleur en dat mensen verblind zijn door hun eigen privileges. Ik voelde me aangesproken door Wekker’s woorden.

 

Ze steekt er een op. ‘Ik ben kwaad.’

‘Op wie ben je kwaad?’

‘Op de Belgische regering, op wat zij mijn familie hebben aangedaan.’

Met haast steekt ze een volgende op. Zou ik ook kwaad moeten zijn? vraag ik me stilletjes af. Ik denk aan de erfenissen uit het koloniale verleden en hoe die doorsijpelen in het nu, in mijn eigen familie. Ze merkt mijn dwaling niet, want vurig praat de activiste verder, inhaleert, puft uit. Intussen nip ik wat aan mijn rosé van 5,5 euro.

 

Ze vertelt over een aanvaring met een van de schrijvers in de groep. Het ging om het woord ‘neger’. ‘Waarom wil je dat woord gebruiken, vroeg ik hem, leg het me uit. Ik voelde dat hij in het gedrang werd gebracht.’ Ze komt sigaretten te kort. De alcohol begint te tollen in mijn hoofd en mijn ogen worden waterig.

 

We kenden elkaar al voor Parijs en bij elk weerzien bekruipt me een gevoel van respect, maar iets benauwd me ook. Ze doet namelijk iets wat ik te weinig doe of durf: ze spreekt zich duidelijk uit. Ik had zo graag een goed weerwoord willen hebben toen ik werd gecomplimenteerd met mijn mooie dictie ‘voor een Surinamer’, toen ik vertelde dat ik naar Rwanda ging en de vrouw sprak over ‘dat apenland’ of onlangs nog toen een meisje zei dat het logisch was dat mijn broer etnisch geprofileerd werd. Vaak ben ik te beduusd. Vaak voel ik in mijzelf heel wat bommetjes opborrelen, maar waar blijft toch die ontploffing?

'Was ik wel zwart genoeg om ten strijde te trekken? Was ik wel benadeeld genoeg om mijn vuist te heffen?'

Ik las Pleidooi voor radicalisering van Dyab Abou Jahjah, waarin hij het heeft over het ‘activistisch gen’. Hij stelt dat ‘sommige mensen meer aanleg hebben voor activisme dan anderen’. Het is de enige passage die ik in zijn nogal teleurstellende boek onderstreepte. Terwijl ik dat deed, vroeg ik me af of ik dat gen bezat. Aan verontwaardiging geen gebrek, engagement voldoende, maar de activist in mij vindt niet vaak de juiste woorden. Dus zwijg ik maar.

 

 

Wekker stelt dat ‘wij’ samen moeten werken, tegen de witte onschuld in. Daar in Brasserie Barbes keek ik mijn collega-vriendin aan en vroeg me af: behoorde ik tot dat ‘wij’? Ik denk aan de eindeloze opiniestukken, hoor het geschreeuw in mijn hoofd en zie haar kwetsbaarheid. Pick your battle las ik eens, ik twijfel of dit wel de mijne is. Jezelf uitspreken, zeker in groepsverband, is ongemakkelijk. Maar we klonken. Santé! Op de toekomst die komen zal! Nous ensemble! Met die gedachten verlieten we de witte bubbel en stapten we de wereld in en ik ga weer ‘aan’.

 

 

Ik vreet het leven niet, het leven dat vreet mij. Zie me ’s avonds terugrollen naar kamer 210. Zie me daar nog een keer liggen in dat eenpersoonsbed. Wanneer ik mijn ogen sluit, raast die stad voorbij. Ik wil naar buiten, naar de ander. Maar blijkbaar moet ik eerst deze woorden en ik schrijf en schrijf en schrijf de nacht. Wie weet welke kant het wolkje opdrijft, maar de woorden dwarrelen door mijn hoofd, liggen op mijn lippen. Ze vinden langzaam hun weg op papier. Dan knip ik het lampje uit, rol terug op mijn rug en wacht rustig af. Want ik weet: de kleine dood is nu, eindelijk, onderweg.

                                            

 

Deze tekst werd geschreven tijdens een residentieproject in Parijs van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre in de zomer van 2016.

 

 

 

Kom alles te weten over het residentieproject van deBuren!
 
Benieuwd wat de medereizigers van Anneleen schreven in Parijs? Lees hier hun teksten.
 
Vertel het verder: