Spellerij

‘Nul fouten’, zei ik zonder ironie, en gaf haar mijn twee bladzijden in schoonschrift. ‘24. KAN BETER!’ schreef ze er een paar minuten later boven, en ze lachte. En ik die dacht – met mijn redacteursogen – nog te kunnen stunten. Is mijn moedertaal soms toch een vreemde moeder?
Door Reinout Verbeke op 23 dec 2009
Tekst
Politiek & samenleving

‘Nul fouten’, zei ik zonder ironie, en gaf haar mijn twee bladzijden in schoonschrift. ‘24. KAN BETER!’ schreef ze er een paar minuten later boven, en ze lachte. Vijf fouten minder dan het gemiddelde maar één fout meer dan de gezanten van De Standaard op het Groot Dictee der Nederlandse Taal. En ik die dacht – met mijn redacteursogen – nog te kunnen stunten.

Een neef van mijn moeder won een van de afleveringen van het Dictee. Hij was het toonbeeld van de Tien-voor-Taalmentaliteit (goed gespeld?). Zijn geheugen was een ellenlange wasdraad vol wapperende lijstjes. Mijn moeder vertelde dat hij als kind al de topdertig van de Tour de France uit het hoofd kon opdreunen even nadat die op het televisiescherm was verschenen. Later zou hij van pi 10.000 getallen na de komma kunnen opzeggen en er verschillende media mee halen, met als hoogtepunt een stunt in het toen overpopulaire televisieprogramma ‘Wedden Dat’.

De winnaar van de twintigste editie van het Dictee, een Nederlander die de kloof met Vlaanderen dichtte tot 11-9, leek me ook zo’n type. Hij schuimde dicteewedstrijden af (in Vlaanderen, waar anders?). Spellen voor de sport, als een spel. Sommigen spelen darts, anderen tellen vinkengezang, en spelfanaten hangen boven het Groene Boekje. Het Groot Dictee heeft weinig met de werkelijkheid te maken. Want in die werkelijkheid gebruik je geen eau de toiletteje, Bommelskonten, statten (naar de stad gaan), ... Neen, in die werkelijkheid schrijven we zoals we gebekt zijn: mompelend, spreektalig, maar aanvaardbaar. We zijn ons alleen nog bewust van de spelling als we een dt-fout rechtzetten. Want die dt is de rode lap voor de stier in elke e-mailontvanger. Mijn grootvader-leraar probeerde de faalangst rond die fout weg te nemen door het een ‘t-fout’ te noemen. Wat het in essentie ook is.

Als talen dialecten zijn met een vloot en een leger dan is de spelling het uniform, dat om de tien jaar gerestyled moet worden. Aangepast aan de nieuwe mode, aan de nieuwe verzuchtingen. Dat het de kassa van de ontwerper en het textielbedrijf doet rinkelen is dan een voorspelbaar neveneffect. Je onttrekken aan het uniform en je zelfgemaakt kostuum aandoen, is dapper, maar dom. Hoe zou het nog zijn met de Witte Spelling, die enkele Nederlandse kranten opstelden na de spellinghervorming in 2005? Hoeveel woorden waarvoor ze ooit alternatieven bedachten, worden echt gebruikt? Much ado about nothing volgens mij, en precies dat sticht nog meer verwarring onder taalmoeë jongeren.

Spelling heeft weinig met taalvaardigheid te maken. Taalvaardig ben je pas als je de gepaste woorden en zinnen gebruikt naargelang de situatie en er een leuk ritme aan kunt geven. Zodat je uiteindelijk zegt wat je te zeggen had. Een goeie spelling van ‘debacle’, ‘Blu-rayspelertje’, ‘cisterciënzerklooster’ en andere addertjes onder het gras is de finishing touch. Meer niet. ‘Er zijn goede schrijvers die niet kunnen spellen’, suste Gerrit Komrij, die de tekst voor het Dictee had geschreven. We spellen ook voor 95 procent foutloos, omdat we moeilijke samenstellingen en spelfinesses eenvoudigweg vermijden. Het Dictee anno 2009 – de winnaar had zeven fouten – geeft alleen de indruk dat een correct gespelde tekst een onhaalbare kaart is. Onze moedertaal als een vreemde moeder.

En toch hou ik van het Dictee: van de literaire tekst, van de uitspraak van Freriks en Tanghe, van het deuntje bij het begin, van het klaarleggen van pen en papier, van de ijdele hoop, van de competitie. Het Dictee mag niet afgeschaft worden, zoals kwatongen bloggen. Het is goed om de taalverzamelaars jaarlijks hun portie genot te geven. Zolang het maar niet te ernstig wordt.

Durven schrijven is belangrijker dan schrijven.

Vertel het verder: