Deze website wordt niet langer ondersteund in Internet Explorer. Update hier je browser voor een betere ervaring.

Paul Snoek van Caro Van Thuyne | Finalist Rode Oor '19

De openingszin: ‘Wie een foto van mij zag zou nooit geloven dat het al ruim acht jaar geleden is dat ik nog werd aangeraakt.’ Waarover het gaat: Vrouw is in de ban van een foto en een gedicht van Paul Snoek. Opwarmertje: Lees Een zwemmer is een ruiter van Paul Snoek.
Door Caro Van Thuyne op 2 mei 2019
Tekst
Politiek & samenleving
Literatuur & taal
Het Rode Oor

PAUL SNOEK

 

Wie een foto van mij zag zou nooit geloven dat het al ruim acht jaar geleden is dat ik nog werd aangeraakt. Het occasionele geweld en de daarop volgende verpleegkundige handelingen niet meegerekend. Ik reken ze niet mee, ik heb het over andere aanrakingen: liefde, lust, die dingen. Ik ben naturel blond, heb kuiltjes in mijn billen en grote borsten, ze  noemen me hier Dolly. Zo heet ik niet. Waar mogelijk probeer ik me op de vlakte te houden maar dat is niet zo vanzelfsprekend als je eruit ziet als ik. De lesbo’s en macha’s hebben een soort rancuneuze, hardnekkige aandacht voor mij.

 

Ik kom graag in de bibliotheek, het is er veilig. En rustig – overal elders is er altijd kabaal; de schelle decibels die al die wijven bijeen produceren!

 

Onze bibliotheek is natuurlijk een dankbare dumpingplaats voor de oude boeken die reguliere bibliotheken of ruimhartige weldoeners met heropvoedingsidealen niet meer willen. Het boekje HERCULES GEDICHTEN PAUL SNOEK was er eentje uit 1960 – toen was ik zelfs nog geen zwemmertje in mijn vaders snoek haha. Maar ik las dus dat gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’ en begon zomaar te wenen. Was me nog nooit overkomen. Ik kreeg toestemming om Paul Snoek te googlen.

 

Bleef lang kijken naar een zwart-wit fotootje van slechte kwaliteit. De dichter in vol ornaat: in ontbloot bovenlijf en geopende jeans. Hij was kaal, had donkere wenkbrauwen en was perfect gebouwd. Borsthaar tussen de tepels dat in een smal lijntje naar beneden liep alwaar het weer voller werd voor het in de broek verdween. Wie zou daar niet in willen kroelen. Vierkante schouders en behaarde onderarmen; mooie aftekening van sleutelbeen, vage aflijning van ribben. Maar het was die loshangende riem en die wijdopen rits waar ik een beetje gek van werd. Uiteindelijk stuurde de opzichter me terug naar mijn tafel. Ik schreef het gedicht over en keerde naar mijn cel terug. Tot mijn aanvraag goedgekeurd werd en het badpak geleverd, herlas ik het gedicht. ‘Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water, is liefhebben met elke nog bruikbare porie, is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren’ – ik kon niet wachten!

 

Vandaag is het zover. Mijn eerste keer. Ik had mijn badpak al aangetrokken in mijn cel. Het voelde als sexy lingerie dragen onder een werkoverall toen ik naar het zwembad liep, mijn lichaam onzichtbaar verpakt in een opwindend geheimpje.

 

Sedert mijn schooltijd heb ik geen binnenkant van een zwembad meer gezien. Hebben ze het hier speciaal zo bunkerachtig gebouwd, een gevangenis binnen een gevangenis? Geen vensters om buitenlucht te zien, de muren wit betegeld zonder dolfijnen of zo. Maar die bodem! Die kleur – turquoise, ik moest even zoeken naar het woord. In gevangenissen heeft beton de kleur van beton, staal de kleur van staal, hebben zelfs onze uniformen de kleur van beton en staal, en formica is er in tien tinten kots.

 

Ik krijg baan 2 toegewezen.

 

Ik laat me in het water zakken. Kouder dan verwacht, mijn tepels krimpen. Dan ga ik op mijn buik liggen in dat levendige lichtblauw. Schoolslag, ik kan het nog. Als een mes door de boter, nee, als een vinger door boter.

 

Het water voelt als zijde, boterzachte, gladde, koele zijde, ik glijd door… zijden lakens. Onder het laken, onderwater, handen die langs mijn hele lichaam glijden, zonder ophouden. Van hals tot voeten gestreeld. Mijn hemel. ‘En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers’ – het zijn de vingers die mij betasten, zachte, gladde, koele vingers, licht en vluchtig strelend langs mijn oksels, mijn borsten, mijn flanken, mijn heupen, mijn buik, mijn dijen, mijn kuiten, mijn wreven…

 

Ik sluit al het lelijke buiten, vernauw mijn blikveld tot de golvende blauwe lakens – tunnelvisie is altijd een van mijn bruikbaarste kwaliteiten geweest – zie nog slechts de zwarte middellijn op de bodem: het is de lijn borsthaar van Paul Snoek die ik volg naar het diepe. Ik zwem tussen zijden lakens langs Paul Snoeks blote lijf. Mijn god. Ik spreid mijn armen, spreid mijn benen wijd en trap als een snelle kikker, eindeloos vrij.

 

Ik moet het badpak een maatje te klein besteld hebben, het is in mijn beide spleten getrokken. Ik laat het zo, het geeft druk. Zwemmen ‘is met armen en benen aloude geheimen vertellen…’ Het aloude geheim van mijn bloedbonzende, uitgehongerde, gloeiende kut, ja. Mijn kut klopt in mijn keel.

 

Ik heb het onderwater ademen nooit geleerd, ik houd mijn hoofd dus boven, en af en toe leg ik een hete wang op het koele water en dan hoor ik mezelf ademen, hijgen inmiddels, zoals je jezelf hoort hijgen als je met je oor op de borstkas van Paul Snoek ligt. Paul Snoek, ik zwem, met al mijn poriën wijd open, tussen onze gladde lakens, langs je lange lijf recht op je schaamhaar af, sta je klaar voor mij? O.

Vertel het verder: