Deze website wordt niet langer ondersteund in Internet Explorer. Update hier je browser voor een betere ervaring.

Made in China van Evelyne Janssens | Finalist Rode Oor '19

Situatieschets: ''Ge hebt nog zoveel potentieel. Laat het gewoon los,’dat is het enige dat hij zegt, vlak voor hij door de deur verdwijnt, me alleen achterlatend met de laatste dronkaards in dat bruin café. Alleen met zijn sjaal.’ Of nog: Hoe je je verlangen kunt projecteren op een object.
Door Evelyne Janssens op 2 mei 2019
Tekst
Politiek & samenleving
Literatuur & taal
Het Rode Oor

Made in China

 

Half 7. Ik knipper met m’n ogen, de kamer ligt roerloos om me heen en in het grijze schemerduister hangt de kilte van de afgelopen nacht, een logge deken zwaar en moe. Het regent. Hard slaat de wind de druppels tegen het zolderraam. Hun zacht getik was m’n wekker voor geweest, en onwillekeurig moest ik glimlachen; natte dagen als deze hadden iets tijdloos, iets onwerkelijks, alsof de hele wereld nat en koud was, en altijd zo zou blijven. Op dagen als deze kon ik me niet voorstellen dat ooit de zon terug zou schijnen, dat ze erin zou slagen zich met een lichtstraal door die wolkenlaag van ondoordringbaar grijs te wurmen.

 

En toch... Ik had me nog eens omgedraaid, zijn lange donkerblauwe sjaal voor de helft rond m’n schouders gewikkeld, de andere helft voor een stuk tegen m’n wang aan, het uiteinde tussen m’n benen. Ik voelde me onnozel, zo in m’n bed zijn sjaal te knuffelen. Een verdomde sjaal, of all things – Zara for Man, made in China – ja dat ligt ze in haar bed te knuffelen. Hij rook niet eens naar hem, hoe hard ik m’n neus er ook in begroef, alleen de naamloze geur van een doodgewone industriële sjaal kwam me tegemoet, geen spoor van hem, geen spoor.

 

Afgelopen nacht had hij hem laten liggen, z’n sjaal, op café, waar we – samen met z’n kleine broer en beste vriend – als laatsten waren overgebleven na een avondje bescheiden feest vieren voor z’n verjaardag. Alle anderen hadden zich al geplooid naar de logica van een maandagavond, en ook z’n arme broer had z’n ogen nog amper kunnen openhouden, doodmoe lag hij half te slapen op ons tafeltje, terwijl de andere vervaarlijk stond te wankelen met z’n zoveelste laatste pint in de hand.

 

Hij keek me recht in de ogen, en ik keek terug, open en eerlijk, en hij sloeg z’n ogen neer, schudde afwerend z’n hoofd, ik bleef kijken, en hij keek weer, iets langer nu, secondenlang z’n blik in de mijne, maar keek dan weer weg, en nog een derde keer, opnieuw, die zinderende ogen, vol vragen en vol angst. Ik kom van m’n kruk, naar hem toe, ga tussen zijn benen staan en leg m’n handen in z’n nek. Hij wijkt terug, zoals altijd, en ik hou vol, zoals altijd, en ga met m’n handen door z’n zwarte jongenshaar, leg een behoedzame kus op z’n wang, m’n voorhoofd tegen het zijne.

 

Z’n hele lijf wiegt vol twijfel heen en weer, weg van mij en weer terug, en tegen de tijd dat hij zich van me losmaakt en ze met z’n drieën de taxi nemen, ben ik al lang verdronken in de woordeloze diepten van zijn zwijgzaamheid. “Ge hebt nog zoveel potentieel. Laat het gewoon los”, dat is het enige dat hij zegt, vlak voor hij door de deur verdwijnt, me alleen achterlatend met de laatste dronkaards in dat bruin café. Alleen met zijn sjaal. En nu lig ik hier, in dit schemerduister, dit grijze ochtendlicht, met al m’n potentieel, en ik verlang naar hem, naar heel z’n woordeloze brute zwijgzaamheid.

 

Onder de lakens wrijf ik m’n koude voeten over elkaar, wikkel mezelf rond z’n sjaal, en ik kreun zachtjes, in z’n oor, leg m’n arm rond z’n middel en trek de donkere stof strakker tussen m’n benen. “Ik wil u. Alleen u”, fluister ik, en begraaf m’n kin tussen z’n schouderbladen, hoor z’n schorre stem in m’n oor zuchten terwijl hij zich omdraait en me tegen zich aantrekt. “Ik ben van u”, hoor ik mezelf zeggen in de lege kamer, en trek m’n onderbroek naar beneden, voel z’n handen over de ronding m’n billen, de warmte van zijn adem, en bijt in zijn sjaal, in zijn nek, en voel heel het donkerblauwe verlangen van zijn lijf tegen me aan, tussen mijn benen.

 

“Ik ben van u”, herhaal ik, en hoe meer ik het zeg, hoe meer het me opwindt, “ik ben van u”, en lik aan mijn vinger, zijn vinger in mijn mond, en ik doe het hard, zoals hij het doet, te hard bijna, “zacht, zachtjes”, zeg ik en dan doet hij het zachtjes, zoals ik het wil, zoals hij weet dat ik het wil, en ik voel zijn ruwe baard tegen m’n wang, en kreun weer, “ja, zo...” – “Zo?”, lacht hij, zijn mannenadem in mijn oor, spottend bijna, en m’n benen liggen open, open voor hem, en ik voel hoe m’n hele lijf zindert, en hoe meer ik z’n naam zeg, hoe dichter ik bij het einde kom, en dan kust hij mijn borsten en dat weet hij, dan ben ik verloren, en is het daar, die woordeloze zindering, en met elke stuiptrekking van m’n naschokkende lijfje krimpt hij in elkaar, en lig ik daar, alleen, met die stomme sjaal.

 

Vertel het verder: