Rusland en Europa, van samenwerking tot contestatie

Op dinsdag 23 april bogen drie Rusland-experten zich over de grondwet van dat land en vroegen zich af of wat op papier staat zich ook vertaalt naar de reƫle situatie. De avond was uitverkocht, maar hier kun je de bijdrage lezen van Lien Verpoest, docent Oost-Europakunde aan de KULeuven.
Door Lien Verpoest op 25 apr 2019
Tekst
Politiek & samenleving

In 1812 reisde de Zwitserse Germaine de Staël doorheen Europa. Verbannen uit Frankrijk maar bekender dan ooit besloot ze in juni van dat jaar naar Rusland te gaan. Haar reiservaringen schreef ze achteraf neer in haar bekende Dix Années en Exil. Haar aanhef over Rusland: 'Geen enkel beschaafd volk telt zoveel wilden als de Russen.' 

De Staël was slechts één van de vele Ruslandreizigers die de vooroordelen over het Russische volk bevestigde. In de achttiende eeuw schreef de Franse astronoom Abbé Chappe d’Auteroche een vernietigend relaas over zijn reis door Rusland, waarin hij stelde dat de Russen een bloedeloos, apathisch volk waren. In de negentiende eeuw werd de markies Astolphe de Custine beroemd met een even kritisch relaas dat hij neerschreef in zijn boek La Russie en 1839. Rusland, zo schreef hij, was een barbaars land met een serviele bevolking, en elk splintertje beschaving kwam uit het Westen: 'Ce qui fait la Russie l’État le plus curieux du monde à observer aujourd’hui, c’est qu’on y trouve en présence l’extrême barbarie favorisée par l’asservissement de l’Église, et l’extrême civilisation importée des pays étrangers par un gouvernement eclectique.' Het relaas van de Custine was een groot succes in West-Europa, en het duurde niet lang of het boek werd verboden in Rusland. De toenmalige tsaar Nikolaas I reageerde gepikeerd. Hij gaf verscheidene Russische en buitenlandse auteurs de opdracht om meer ‘realistische’ en ‘betrouwbare’ studies te schrijven over Rusland. Het aantal reisverslagen over Rusland die het barbarisme van de Russen, de apathie van de bevolking, de tirannie van de tsaren en de onderdanige adel beschrijven zijn amper te tellen. Rusland is altijd de 'andere' geweest. Ook in academisch onderzoek is dit een vraag die blijft boeien: waarin liggen onze verschillen? Hoe verbonden zijn Rusland en het Westen, of juist niet? 




‘When in Europe, act like the Europeans’

Deze vraag werd nog pertinenter na 1991. Waar tijdens de Koude Oorlog de verbondenheid van de Russische en West-Europese cultuur en geschiedenis academisch enigszins op het achterplan gekomen was, flakkerde deze discussie weer op toen een onafhankelijk Rusland zich moest herpositioneren op het internationaal toneel. Academici beten zich massaal vast in het thema. Men ging Ruslands relatie met Europa onderzoeken vanuit zowel historisch als hedendaags perspectief. Soms leek het wel of de 19de eeuwse draad weer opgenomen werd: Rusland moest immers zoals het ‘beschaafde’ Europa worden, politiek democratiseren en economisch de omslag richting vrije markteconomie maken. Met de beste bedoeling legden ‘transitologen’ uit hoe het land kon moderniseren en hervormen, gebaseerd op best practises uit het Westen. When in Europe, act like the Europeans. Sommigen gingen er heel ver in: zo drukte Francis Fukuyama in zijn beroemde essay uit 1989 de hoop uit dat met het einde van de Koude Oorlog ook een eindpunt in de geschiedenis bereikt zou worden: na de val van het communisme zou de universele verspreiding van de liberale democratie snel een feit zijn. In werkelijkheid slagen liberale partijen in Rusland er reeds meer dan vijftien jaar niet in de kiesdrempel te halen. Westerse ‘neoliberale’ normen en waarden worden gecontrasteerd met de ’Russische wereld’ (Russki mir) die heel andere, meer conservatieve tradities koestert.

 

In de jaren ’90 gingen sommige academici wel heel ver in hun analyse. Zo publiceerde Daniel Rancour-Laferrière in 1997 het controversiële boek The Slave Soul of Russia, waarin hij poneerde dat de Russen een echt ‘Slavenvolk’ zijn die graag gedomineerd worden. Hun ‘moreel masochisme’ illustreerde met een hele reeks zorgvuldig geselecteerde historische voorbeelden (waarbij hij voorbijging aan tegenvoorbeelden). Anderen schetsten een meer genuanceerd beeld. In zijn boeiende Inventing Eastern Europe zet Larry Wolff uiteen hoe ‘Oost-Europa’ in de achttiende eeuw bedacht werd door Verlichtingsintellectuelen. Door Oost-Europa als een achterlijk, minder ontwikkelde regio af te schilderen, zette men de verfijning en intellectuele ontwikkeling van West-Europa in de verf.

 

Net zoals Wolff situeert Iver Neumann het ontstaan van de zeer hardnekkige vooroordelen over Rusland in de achttiende eeuw. In zijn essay Russia as Europe’s Other stelt hij dat dit komt omdat het iets oudere beeld van Rusland als ‘barbaars’ land, in die periode bestendigd werd door prominente figuren zoals Diderot, Montesquieu en Edmund Burke. Dat deze voorname denkers bijna zonder uitzondering negatief waren over Rusland, en er hoogstens wat potentieel in zagen mits grondige hervormingen, de afschaffing van het lijfeigenschap en het tsarisme, verleende dit vooroordeel meer gewicht.




‘Europa beschouwt Rusland onveranderlijk als leerling’

De idee van Rusland als Europa’s ‘andere’ is hier interessant, omdat het de vinger legt op de specifieke dynamiek tussen deze twee delen op het Europese continent. Het is een bron van frustratie maar ook van identiteitsvorming, als reactie tegen de Europese blindheid (en selectieve doofheid) voor de Russische identiteit. Iver Neumann koppelt er nog een tweede interessante observatie aan, die tot op de dag van vandaag toepasselijk is: Europa beschouwt Rusland onveranderlijk als leerling. Ook deze visie is ontstaan in de achttiende eeuw, en werd mee in de hand gewerkt door Ruslands twee grootste tsaren: Peter de Grote (1682-1725) trok tweemaal naar West-Europa om als leerling-scheepsbouwer aan de slag te gaan op Nederlandse en Britse scheepswerven. Met zijn westers-geïnspireerde hervormingen moderniseerde hij Rusland aan een snel tempo. Ook Catherina de Grote (1762-1796) droeg met haar grote bewondering voor de Franse denkers, haar import van westerse kunst en cultuur bij tot de perceptie dat Rusland steevast het Westen als toetssteen voor haar beschaving zag.

 

Dat Rusland zelfs onder haar meest westersgezinde tsaren een autocratie bleef, en na de Franse Revolutie heel wat van deze westerse hervormingen teruggeschroefd werden maakte niet uit. Dat in de 19de eeuw een hele reeks schrijvers en denkers in Rusland zich bijzonder kritisch uitlieten over West-Europa en vooral benadrukten hoe anders Rusland was, en hoe de Russen hun eigen pad van ontwikkeling moesten bewandelen ook niet. Dat Rusland het lijfeigenschap pas in 1861 afschafte en de tsaren de wanhopige roep om hervormingen negeerden en aan hun dynastieke macht bleven vasthouden tot deze omvergeworpen werd in 1917 evenmin. Wat bleef hangen: Rusland wil leren van het Westen.

Dit bleek dan ook het vertrekpunt toen Rusland voor een zware politieke en economische transitie stond in de jaren ’90. Westerse instellingen stonden in de rij om de banden aan te halen met het nieuwe onafhankelijke Rusland. Een nieuw Rusland dat een leerling van het westen wilde zijn, zo dacht men, en zo leek het ook. En in de prille jaren na de val van de Sovjet-Unie was dit ook wel zo: opnieuw keek men naar het Westen als voorbeeld voor economische en politieke hervormingen. En daar stond men klaar met een pakket aan voorstellen om de transitie naar een vrije markteconomie zo goed mogelijk te laten verlopen. Dit corpus van aanbevelingen en adviezen staat bekend als de Washington consensus. Het hierop gebaseerde economisch herstelplan voor Rusland trachtte tevergeefs de westerse vrije markt-ideeën naar de wankele planeconomische structuren te transplanteren, met desastreuze gevolgen.

 

Wat in deze moeizame jaren ’90 misschien minder gecapteerd werd in het Westen is de Russische zelfperceptie. Rusland worstelde immers met haar ‘nieuwe’ status: dat van geamputeerd imperium. In tegenstelling tot de Sovjetperiode was het land geen supermacht meer, maar hoogstens no een regionale grootmacht.

‘Meer dan ooit wordt het belang van eigen verleden en tegelijkertijd de grote verschillen met andere landen benadrukt’

In maart 2000 koos Rusland een nieuwe president die het land grondig zou veranderen. Na de bijzonder moeizame politieke en economische transitie van de jaren negentig, toen crisis nooit veraf was, leek er een nieuw tijdperk aangebroken. Het was alsof de nieuwe president in snel tempo orde op zaken stelde. Geholpen door de stijgende energieprijzen begon Rusland aan een opmerkelijke economische remonte, waardoor de algemene levensstandaard aanzienlijk verbeterde.Ook de staat was helemaal terug: de uitvoerende macht werd gecentraliseerd en geverticaliseerd, de vrijheid van de regio’s werd aan banden gelegd, en legislatief kwam er vanaf 2003 steun in de vorm van een pro-presidentiele parlementaire meerderheid. Door deze grote veranderingen staan die moeilijke jaren ’90 nu voor vele Russen synoniem voor zwakte, economische crisis en politieke chaos een periode die afgesloten werd toen president Jeltsin van het politieke toneel verdween.

 

De grote vraag is of Rusland wel zo grondig veranderd is, dan wel terug de draad opgenomen heeft. Moeten de jaren ’90 niet eerder als een anomalie beschouwd worden, een korte ruis in Ruslands geschiedenis? In de speech na zijn overwinning in maart 2000 benadrukte Vladimir Poetin het belang van geschiedenis. Hij zei: 'we mogen niets vergeten. We moet onze geschiedenis gedenken, er lessen uit trekken, en altijd beseffen dat zij die Rusland stichtten, de Russische waardigheid verdedigd hebben en het een grote machtige staat gemaakt hebben. Die herinnering moeten we koesteren, en tradities moeten we respecteren'. Deze woorden, ondertussen twintig jaar geleden, waren een voorbode van het recente discours in Rusland: traditie, waardigheid en patriottisme zijn intussen kernbegrippen van het Russische  binnen- en buitenlands beleid.

 

Eminent historicus en Ruslandkenner Marc Raeff stelde dat de Russische geschiedenis tot aan de Russische Revolutie gekenmerkt werd door twee fenomenen: verwestersing en revolutionaire agitatie. Na de cesuur van de Sovjet-Unie lijkt het dan ook alsof men in Rusland de draad terug opgenomen heeft: enerzijds wil men samenwerken met het Westen, anderzijds zien we een groeiende contestatie van westerse ideeën, die steeds meer als opgelegd ervaren worden. In 2001 stelde de jonge president nog dat integratie met Europa één van prioritaire domeinen was in Ruslands buitenlandbeleid. In 2007 klonk het al anders, toen diezelfde president fijntjes opmerkte dat zij die Rusland de hele tijd de les willen spellen over democratie, zelf hardleers zijn als het aankomt op democratie. In 2014 borrelde de frustratie over in contestatie, zo bleek uit de speech na de annexatie van de Krim: 'we hebben alle reden om aan te nemen dat het beruchte beleid van containment zoals het reeds gevoerd werd in de 18de, 19de en 20ste eeuw nu gewoon doorgaat. Men probeert ons voortdurend in een hoek te dwingen, omdat we ons onafhankelijk opstellen, de dingen benoemen zoals ze zijn, en niet meedoen aan die hypocrisie.' Patriottisme, respect voor tradities en het roemrijke verleden werden steeds prominenter vermeld als gemeenschappelijke ‘waarden’ die Rusland als ‘sterke staat’ consolideren.

 

Meer dan ooit wordt het belang van eigen verleden en tegelijkertijd de grote verschillen met andere landen benadrukt. Continuïteit en contestatie. Is Rusland onveranderlijk anders?




Lien Verpoest

Lien Verpoest is docent Oost-Europakunde aan de Katholieke Universiteit Leuven. Haar interesses gaan voornamelijk uit naar de relaties tussen Europa en Rusland, de Oost-Europese politiek en de Russische geschiedenis. Ze geeft daarover geregeld duiding op de Belgische en Nederlandse televisie en in de geschreven pers.  Als geen ander voelt ze de melancholische Slavische ziel aan. 

Vertel het verder: