Ecce Homo | Ubah Cristina Ali Farah

Naar aanleiding van de tentoonstelling 'Bernard van Orley. Brussel en de Renaissance' vroegen BOZAR LITERATURE en het Vlaams-Nederlands Huis deBuren aan vijf schrijvers om te reageren op een schilderij van de grootmeester. Ubah Cristina Ali Farah koos voor Ecce Homo.
Door Ubah Cristina Ali Farah op 23 apr 2019
Tekst
Literatuur
Literaire Nocturne
Toegeschreven aan Bernard van Orley, Ecce Homo, Circa 1530, Olieverf op paneel, Cathédrale Notre-Dame, Doornik.

Ubah Christina Ali Farah brengt een klassiek personage in herinnering: de grootinquisiteur uit De broers Karamazov van Dostojevski. In tegenstelling tot deze hoge geestelijke – die concludeert dat de op aarde teruggekeerde Christus een te hoge dunk van de mens heeft en hem daarom berispt – zet de soldaat uit de tekst van Ali Farah de mens en daarmee ons recht op zijn plaats. Overtuigd van de eigen handelingsruimte, valt de mens ten prooi aan populistische haatspraak. Vervuld van ‘dubbelzinnige toespraken’ die ‘kleine dosissen arseen’ in onze bloedbanen brengen, maken we onszelf wijs dat we vrij zijn, ‘vrij om de knoop door te hakken’ … waarna Christus opnieuw gekruisigd wordt en de landvoogd de handen in onschuld kan wassen.

Ecce Homo

 

Ruim baan, achtbare heren, genoeg gescholden: is het zien van deze arme stakker die gegeseld werd tot hij erbij neerzeeg, voor jullie dan niet genoeg? Hij heeft zelfs niet langer de kracht om zijn ogen open te houden.

 

Hier komt de beul. Welaan, toon de omstanders zijn borstkas! En jullie, aanschouw zijn wonden, de in zijn hoofd gedreven doornen. Deins achteruit als je niet wilt dat jullie kostbare brokaten van bloed doordrenkt raken. Stilte! Luister naar de landvoogd, stelletje blinden, ik, simpele soldaat, heb jullie niets te melden, ik ben hier enkel om de orde te handhaven. Hij zal jullie voor zich innemen met zijn grijze baard, hij zal jullie vleien met de hooggestemde frasen van een doorkneed causeur.

 

Schaar jullie om hem heen, juich hem toe, de landvoogd staat nederig tot jullie dienst: is hij tenslotte niet bij de gratie van het volk verkozen?

 

Jullie, zijn nobele medeburgers, zijn de ware gezagdragers.

 

Spits die oude dove oren van jullie, heren, zie de mens, de leider van de opstandelingen, de verrader, de man die naar zijn land is gekomen om het te schande te maken, om met zijn landgenoten de spot te drijven.

 

Zie de mens: hij levert hem aan jullie over, hij stalt zijn naakte vlees voor jullie uit. Kijk hoe die onnozele hals is gestraft, vinden jullie dat nog niet genoeg?

'Hij zal jullie voor zich innemen met zijn grijze baard, hij zal jullie vleien met de hooggestemde frasen van een doorkneed causeur'

 

Welnu, zijn lot ligt in jullie handen. Maar wees niet genadig als jullie naar vrede smachten, in jullie midden houden zich nog verachtelijke ratten schuil, scheurmakers die het op jullie geluk hebben gemunt, onruststokers die het welzijn van het volk bedreigen.

 

De landvoogd van zijn kant streeft het algemeen belang na. Hij wil jullie alleen waarschuwen, jullie beschermen tegen een meedogenloze kliek van gewiekste en gewetenloze zakenlieden die bereid zijn hun ziel te verkopen voor het slijk der aarde.

 

En maak jezelf niet wijs dat deze man – omdat jullie hem hier gegeseld en naakt zien – onschuldig is. Hebben jullie hem dan niet allemaal in de straten horen raaskallen, de landvoogd en zijn notabelen beschuldigen van dictatorschap, van vervolgingswaanzin? Het zal hem niet meer baten krampachtig met zijn armen te zwaaien, zijn medeburgers openlijk te beledigen en hen addergebroed en witgepleisterde graven te noemen.

 

Maar – daar hamert de landvoogd nogmaals op – de beslissing ligt in jullie handen.

 

Ach, mocht ik, simpele soldaat, zo’n doortrapte praatjesmaker zijn, dan zou ik niet de moeite doen om die man te redden, maar er alleen naar streven mijn hoofd te omwikkelen met een kostbare tulband, me in damast te kleden, mijn schouders met bontwerk te verwarmen en voor de gelegenheid een halssnoer vol diamanten om te hangen. En in plaats daarvan moet ik hier staan schilderen, het gewicht van deze helm en dit knellende borstkuras torsen, terwijl dubbelzinnige toespraken als kleine dosissen arseen in jullie bloed, in jullie vlees binnensluipen. En toch hebben jullie niet eens in de gaten dat je ze inzuigt en maken jullie jezelf wijs dat je vrij bent, vrij om de knoop door te hakken. Kijk naar de beul. Hij houdt de roede nog tussen zijn tanden en een bijna onmerkbare glimp van opluchting ontglipt aan de blik van de landvoogd: nu zal hij zijn handen gaan wassen terwijl het volk, zoals voorzien, schreeuwt dat de man ter dood moet worden gebracht.

 

 

Vertaald uit het Italiaans door Frans Denissen

Ubah Cristina Ali Farah

Ubah Cristina Ali Farah (1973) is een Somalisch-Italiaanse schrijfster die in Brussel woont. Haar werk werd bekroond met de Lingua Madre National Literary Prize en de Vittorini Prize. Haar roman Madre piccola (2007) verscheen in het Nederlands (Barni en Domenica, 2008) en in het Engels. In het kader van Matera, Europese culturele hoofdstad 2019, schrijft ze momenteel aan een libretto geïnspireerd op verhalen uit de stad.

Vertel het verder: