Een rottende tropische vrucht. Aanbevelingen voor een koloniaal pretpark

In het Parijse Bois de Vincennes vond in 1907 een koloniale expositie plaats. In een kort verhaal in briefvorm doet Davy Verbeke zijn beklag aan de huidige uitbater over zijn bezoek aan dit 'koloniaal pretpark', dat letterlijk en figuurlijk een beetje moeilijk ligt.
Door Davy Verbeke op 25 jan 2019
Tekst
Politiek & samenleving
Literatuur
Schrijfresidentie Parijs
Chinese poort in Jardin d'agronomie tropicale. Foto © nato kino via Flickr

In de zomer van 2016 nam Davy Verbeke deel aan de schrijfresidentie van deBuren. Als wereldblogger schreef hij al over koloniale geschiedenis voor MO*. In 'Een rottende tropische vrucht' richt hij het woord tot de uitbater van Jardin d'agronomie tropicale, "het enige nog bestaande koloniale pretpark ter wereld" in Parijs. Een beklag in briefvorm, met acht aanbevelingen: "In uw park is alles altijd aan het verdwijnen, tot wij er zelf niet meer zullen zijn, uitgebrand zullen zijn, klaar om te herrijzen."

 

 

Geachte ambtenaar van la Mairie de Paris, département culture et patrimoine, section parcs et jardins,

Parijs, 24 juli 2016

 

Ik schrijf u naar aanleiding van mijn bezoek zaterdag of zondag laatstleden aan het door u beheerde pretpark in de Jardin d’agronomie tropicale in le Bois de Vincennes. Met deze brief wens ik mijn beklag te doen over uw ondermaatse exploitatie van dit koloniale themapark. De vage contouren van de beelden die ik daar zag, staan me nog te helder voor de ogen, ondanks het geheugenverlies dat ik sindsdien ervaar.

                Ik vermoed geen kwade wil van uw kant, eerder nalatigheid en vergetelheid. Daarom hoop ik dat het relaas van mijn dag en de klachten die ik heb u tot een doordachter beleid zullen bewegen.

 

 1. Bezoekersaantallen

 
In 2003 kocht u uw historische koloniale pretpark, zeven hectaren groot en toen al bijna honderd jaar oud.

                Paviljoenen van Indochina, Guyana, Tunesië, Marokko, Madagascar, Réunion en Congo.

                Dorpen uit Benin, Soedan, Congo, Madagascar, Indochina en Nieuw-Caledonië.

                Memorialen voor Indochinese christenen, voor les soldats noirs, voor soldaten uit Madagascar, Cambodja en Laos die stierven in uw Franse oorlogen.

                Monumenten die de Franse kolonisering huldigen.

 

In 2006 heropende u de Jardin voor het publiek. Negenennegentig jaar na de oorspronkelijke koloniale expositie van 1907, toen de Franse overheid haar kolonies tentoonstelde en haar volkeren naar hier haalde. Slechts een eeuw geleden bezochten meer dan een miljoen Franse flaneurs het themapark.

                Uw eigen vernissage was helaas geen groot succes. Een stormloop bleef uit. De bezoekersaantallen onder uw bewind zijn zelfs ronduit beschamend. Het is voor mij lastig geworden om zaken exact te reconstrueren, maar ik denk dat ik tijdens mijn bezoek vorig weekend, het was een zondag of zaterdag geloof ik, niet meer dan drie andere bezoekers zag. Een magere opkomst voor het immense potentieel van uw koloniale site.

 

 

2. Marketing strategy

 

Toegegeven, de Jardin tropical ligt een beetje moeilijk. Figuurlijk, uiteraard. Maar ook helemaal aan de uiterst oostelijke kant van le Bois de Vincennes, dat zich al buiten het centrum bevindt, ten oosten van de ring rond Parijs. Als de périphérique haar schedel is, dan lijkt het wel of Parijs zichzelf in het hoofd schoot. Op een kaart een uitgelopen vlek van oude ideeën die ooit in het centrum werden verwekt. Een ver verdrongen herinnering die rust vindt in haar verval.

Ik begrijp dat het modale publiek, de doorsnee man en vrouw in de straat, de Jean met zijn casquette op, zoiets niet meteen heel aantrekkelijk vindt. Nochtans bent u in het bezit van stoffelijke overschotten van de koloniale epoche. Wat een weelde. Wat een exotisme. Wat een magisch realisme. U heeft zelfs niet minder dan een mondiaal monopolie. U baat het enige nog bestaande koloniale pretpark ter wereld uit!

© WikiCommons. Bewerking door Jelle Denturck

En toch lijkt het alsof u daarvan vooral een beetje bang bent. Dat u dat bevreemdende niet zo goed in de markt durft te prijzen. Ik heb de indruk dat u weinig inspanningen levert om de zwerm toeristen in het Parijse stadscentrum naar uw perifeer park te lokken. Ja, u geeft enkele foldertjes uit die iemand als het een beetje meezit waaiend over straat zou kunnen vinden. Daarin prijst u, enigszins wankelmoedig, uw koloniale tuin aan. U belooft wat mysterie. Niets grootsprakerig, alles heel behoedzaam.

                Maar als Dismaland van Banksy zichzelf tot een overrompeling kon prijzen, als dat dystopische hellegat meer dan honderdduizend mensen warm kon maken om een hele dag lang op een sombere plek dichter bij hun dood te komen, waarom kan uw pretpark dat dan niet?

 

 

3. Bewegwijzering

 
Wie het precies was die mij een bezoek aan uw tropische koloniale tuin had aangeraden weet ik niet meer. ik stond in de vroege vooravond op en besliste vol overtuiging uw pretpark te bezoeken, bekoord door het verlokkende vooruitzicht van een glorieus verleden. Warme lucht dreef nog in de Parijse straten toen ik de deur van mijn huis achter me toetrok. De hemel hing onbevlekt blauw boven me.

                Mijn adem bedampte de metroruit. In spiegelbeeld schreef ik er een palindroom op. De donkere metrotunnels draaiden mee met mijn bochtenwerk. Ik omzoomde de noordkant van le Bois de Vincennes via de rode metrolijn A, een lange rit naar het oosten. Maar nérgens maakte het metroplan enige melding van uw koloniaal themapark. Terwijl Disneyland, dat andere dromenverkopende pretpark, in dezelfde richting, op dezelfde metrolijn en nog verder weg van het centrum, wél schreeuwerig stond aangeduid. En ook toen ik uitstapte aan de halte Nogent-sur-Marne waren er geen wegwijzers te bespeuren.

                U moet een lepere lokker zijn, meer vliegen naar uw rottende tropische vrucht verleiden.

 

Toen ik eindelijk aan de ingang van uw park stond, rond zevenen, restte er me nog slechts een uur voor sluitingstijd. Er was dus haast bij, maar het begon overvloedig te regenen . Bliksem dooraderde de lucht. Het loden licht had het moeilijk om door het bladerdek te vallen. In de goten dwarrelden gele blaadjes naar hun einde, meegevoerd door hemelwater.

 

Er zijn achteraf veel elementen die mijn argwaan eerder hadden moeten wekken, dingen die niet klopten, maar het is uiteraard makkelijk om tekens te herkennen wanneer de bladzijde waarop ze staan is omgeslagen.

© Musee Nogent sur Marne (1907) & Davy Verbeke (2016). Bewerking door Jelle Denturck.

4. Faciliteiten

 
Het regenen hield maar niet op, nergens was er een ontvangstruimte voor bezoekers waar ik kon schuilen..

Onder uw Chinese toegangspoort hield ik me dan maar onledig met drogen. De poort was aan de vooravond van het nieuwe millennium helemaal verweerd door een storm met de naam Lothar. Alsof de twintigste eeuw met pathos moest worden begraven. De rode verf was toen door regen en wind weggespoeld, weggezonken in de aarde waarop ik nu stond. Maar u vond een nieuw likje verf geen prioriteit. En een vijftal jaar geleden nam u de houten goden en dieren op de poort weg, ooit zorgvuldig gehouwen door nu al lang gestorven ambachtslui, om ze te laten restaureren. U plaatste ze tot op heden nog altijd niet terug.

                Kijkend naar het wilde mos, ongevraagd geschoten op het dak van uw onversierde toegangspoort, drongen de dwalingen van uw park zich voor het eerst aan me op. Het werd me niet toegestaan om nog even in een verdwenen wereld van koloniale luister te vertoeven.

 

Bovendien zag ik nergens een kiosk die een plattegrond van uw pretpark verkocht. Ik memoriseerde dan maar het grondplan aan de ingang – iets waar ik nu niet meer in zou slagen – en vatte tien minuten later mijn wandeling door uw park aan, door die niet aflatende regen die alles dat hier ooit was, verder leek weg te vagen.

 

© Musee Nogent-sur-Marne. Bewerking door Jelle Denturck.

5. Ordehandhaving

 
In uw tuin gelden vier taboes, zo werd mij met ondubbelzinnige verbodstekens verduidelijkt aan de ingang.

                Geen honden.

                Geen fietsen.

                Geen voetballen.

                Geen alcohol.
Menselijke verlangens dienen beteugeld als ze de mens doen afwijken van het juiste pad. Een verdedigbaar streven, zeker in een park. Jammer genoeg zag niemand toe op de naleving van uw verboden.

 

Uitwerpselen, relatief omvangrijk, lagen langs uw grindpaden. Gezien uw eerste parkverbod vermoedde ik eerst een acuut gebrek aan sanitair voor de bezoekers. Hopelijk compromitteer ik niet de ernst van deze klachtenbrief, maar in die waan nam ook ik noodgedwongen mijn toevlucht tot deze oplossing.

                Net dan, met mijn achterste in de struiken, snelde een fietser in wit maatpak langs. Boven zijn gepunte snor en onder zijn met pommade platgestreken, glanzend zwarte haar droeg hij een monocle. Ik begreep dat verboden hier relatief waren. Misschien waren er dan toch toiletten? De man maakte onverwacht een val en krabbelde kermend weer recht. Met bebloede knieën aan z’n witte broek fietste hij verder. Een dark tourist avant la lettre, alleen zou hij dat zelf nooit beseffen. Net zoals de miljoenen andere bezoekers van koloniale themaparken over heel de wereld decennia geleden.

                Even verderop boog een Aziatische man het hoofd naar de grond, voor een imposant memoriaal voor overleden koloniale soldaten. Hij plaatste bloemen aan de sokkel. De vaas brak toen een jongen er een zware, bruin lederen voetbal tegen schopte. Ernaast zat zijn moeder op een bankje, met een imponerende rode kanten hoepelrok en dito hoed. Ze keek de andere kant op en zweeg.

                Een schelle, losgeslagen lach rees op dat moment op vanuit de struiken. Ik werd tot stilstand bewogen. Een man, gezeten voor enkele tenten, aanschouwde geamuseerd het bloementafereel. Hij dronk bier uit blik. Het in de struiken verholen tentenkamp was er een waar daklozen leefden. De bloemen waren van plastic, konden niet vergaan.

 

Uw koloniale pretpark is een oord van overtredingen.

 

Chinese poort in Jardin d'agronomie tropicale. Foto © nato kino via Flickr

6. Onderhoud

 
Ik volgde het pad verder tussen uw paviljoenen, dorpen en monumenten.

                Het enige paviljoen dat u blijkbaar toch liet restaureren was dat van Indochina, enkele jaren geleden. U brak er in de tussentijd ook enkele af. De rest viel ten prooi aan het iconoclasme van natuur en mens: hekken roestten, profane woorden werden in houten wanden gekerfd, glazen scherven staken dreigend uit in raamkozijnen, serres verloren hun glas en koelden af, hout rotte, daken stortten in en duwden muren uiteen.

                U plaatste dan wel keurige omheiningen en bordjes met ‘accès interdit’  rond uw teloorgegane gebouwen en u wees me voortdurend op het gevaar voor mijn lijf en leden, maar ik kon al te makkelijk uw onbewaakte ‘périmètres de sécurité’ binnendringen. Daar stond ik dan minutenlang, in de hoop dat ik een toevallig omvallende muur terug op zijn plaats kon duwen of dat een balk mijn hoofd net niet zou versplinteren, tevergeefs.

                Eveneens stond u toe dat Franse planten de exotische verdreven. Klimop kroop over nat hout en braamstruiken woekerden ongehinderd. Enkel aan het paviljoen van Marokko zag ik nog exotische blauwe bloemen – op de gebroken keramiektegeltjes die op de grond lagen.

 

'Enkel aan het paviljoen van Marokko zag ik nog exotische blauwe bloemen – op de gebroken keramiektegeltjes die op de grond lagen.'

U liet de beloften van het koloniaal spektakel uit 1907 teloor gaan. Het is duidelijk dat de toewijding die Frankrijk ooit aan de dag legde voor haar koloniale onderneming u volledig vreemd is. U bent een schandvlek voor de Société française de Colonisation die dit park bouwde. Betekent restaureren voor u misschien overmatig verheerlijken? Maar is laten verloederen dan geen loochening? Ook in de details van uw koloniale monumenten merkte ik dezelfde halfslachtigheid, het weifelende van heel uw onderneming:

                Marianne zwierde haar vlaggenstok met de Franse driekleur. Met afgebroken spits.

                Een Franse haan stond op de wereldbol die hij zo makkelijk had veroverd. Een poot uitgetrokken.

                Een naakte Afrikaanse vrouw streelde een tros druiven. Hand en hoofd afgehakt door onbekenden.

                Een Boeddhavrouw mediteerde. Ook haar hoofd ergens onderweg verloren.

 

U weet gewoon niet wat te kiezen. De ruïnes van uw afbrokkelende monument à la gloire de l’expansion coloniale française drapeerde u met een kleverig gewaad van zwart rubber. Met de mal kan u uw onvolledige beelden van vroeger eindeloos in nieuwe originelen gieten.

 

© Ville de Paris. Bewerking door Jelle Denturck.

7. Personeelsbeleid

 
Ik ging daarna nog op de koffie bij een Toeareg in z’n woestijntent. Met een Soedanees raakte ik verwikkeld in een oorlogsdans. Op een olifant gezeten stelde een Laotiaan mij gerust dat hij zijn dier onder controle had. Een Cambodjaan nodigde me uit mijn hand op zijn offeraltaar te leggen. Ik nam enkele foto’s van een West-Afrikaanse, halfnaakte moslimvrouw. Uit etnografische interesse uiteraard, zoals ik in uw oude brochure uit 1907 las. Half geklede paspoppen in uw koloniale vitrine. Modes zullen er altijd slechts voor even zijn.

 

Ik had helaas de indruk dat u dit personeel, de geëxposeerden die uw onderneming ondersteunen, niet helemaal naar waarde schatte. Hen zelfs lichtjes uitbuitte. Weinig betaald, ver weg van huis voor een lange tijd, hoog arbeidsrisico zonder levensverzekering. Gelukkig is het geen zoo humain, want dieren krijgen niet betaald. Toch leek uw personeelsbeleid er vooral een van besparen: alle paviljoenen onbewaakt, de bruisende koloniale dorpen van weleer eenmansondernemingen geworden.

 

Photo!’ hoorde ik plots iemand naar me roepen. Een oudere zwarte man zat op een stoel, leunend tegen een lege serre. Zijn blik was gericht op mijn fototoestel, alsof hij zoiets nog nooit had gezien. Hij wenkte me. Uit zijn broekzak haalde hij een vergeelde zwart-witfoto waarop hijzelf stond. In het midden, voor deze serre, met een tiental anderen naast hem.

                ‘D’abord la France, puis la maladie et après le mort de mes amis,’ lachte hij.

                Hij wees naar het veld naast ons waarop hoge houten totempalen boven ons uit torenden. Er waren hoofden in gesneden. Een tiental gezichten, gelijkend op die van zijn foto.

                ‘Une photo avec toi?’ vroeg hij me. ‘Entre les poteaux?

                In het midden van de wereld in een hoek geduwd, aan de rand Parijs, moest ik zo snel mogelijk zien weg te raken.

© Musee Nogent sur Marne (1907) & Davy Verbeke (2016). Bewerking door Jelle Denturck.

8. Brandveiligheid

 
Op weg naar de uitgang rende iemand me nog voorbij. Aan het Congopaviljoen, even verderop, had deze persoon brand gesticht. Het houten gebouw brandde voor mijn ogen af. Het vuur likte hoger en hoger, tegen de regen op, tot die laatste uiteindelijk het pleit won.

                Één enkele verkoolde paal stond nog rechtop.

                Het was alsof die donkerzwarte staak jarenlang omhoog gegroeid was op de assen van alle niet-opgemaakte overlijdensaktes van de koloniale onderdanen werkzaam in uw park, die u bewaart in uw immer uitbrandende archief.

                In uw park is alles altijd aan het verdwijnen, tot wij er zelf niet meer zullen zijn, uitgebrand zullen zijn, klaar om te herrijzen.

 

U zult begrijpen dat ik al deze herinneringen aan uw koloniaal themapark zo snel mogelijk wil verdringen, want zoals vermeld lijd ik sinds die dag aan een vreemdsoortig geheugenverlies, opgelopen tijdens mijn bezoek. Ik hoop dat u mijn waarachtigheid en mijn praktische aanbevelingen niet in de wind zult slaan en u uw ontoereikende uitbating van uw pretpark zult bijsturen. Al was het maar voor de anderen, van vroeger en van vandaag.

 

Hoogachtend,

 

Davy


Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre.

 

 

Kom alles te weten over het residentieproject van deBuren!
 
Benieuwd wat de medereizigers van Sereh schreven in Parijs? Lees hier hun teksten.
© Marianne Hommersom

Davy Verbeke

Davy Verbeke (1989) studeerde Geschiedenis en Engels in Gent, Parijs en Brussel. Hij schrijft kortverhalen over herinneringen – individuele en collectieve – en andere zaken die het verdwijnen van de dingen uitdagen. Als publiekshistoricus houdt hij een MO*-wereldblog bij over koloniale monumenten in Kinshasa. Voor spottedbylocals.com schrijft hij over zijn favoriete plaatsen in Brussel.

 

Davy droeg een fragment uit deze Parijstekst over een slecht uitgebaat koloniaal pretpark voor in de literaire podcast Ondercast.

Vertel het verder: