Een queeste naar geluk

De menselijke komedie in de catacomben van Parijs. Door Steffie Van Neste.
Lees/luister/kijk
Schrijfresidentie Parijs
Door Steffie Van Neste
© Gustave Dore

Achttien jonge schrijvers namen deze zomer deel aan de schrijfresidentie van deBuren in Parijs. Tijdens deze zesde editie vroegen we aan negen deelnemers een artistieke reactie te schrijven over het thema ‘geluk’. De andere helft schreef over ‘tijd’. In de aanloop naar de Nacht van de Geschiedenis, waar geluk eveneens het centrale thema is, publiceren we deze teksten in ons magazine.

 

Steffie Van Neste neemt ons mee op een tocht door de catacomben met Vergilius als gids, langs lotuseters en cataphilen, schedels en selfiesticks.

 

Een queeste naar geluk: de menselijke komedie in de catacomben van Parijs

 

 

 

  De prozaschrijver,

 die het volmaakte paradijs heeft verlaten met Vergilius,

                           beweegt zich nu trager voort dan een schildpad,

                          niet langer aan de ziel gebonden,

                         naar de donkere grens van de aarde,

                         de Vergankelijkheid.

           Hij verklaart, dat de oorzaak van de afdaling,

          De algemene zucht is zich met Geluk te verenigen.

                                                   

  Met dank aan Dante, Zang 1

 

 

 

Proloog

 

Aan de ingang van de catacomben wacht Vergilius me op. Ik verontschuldig me snel, want ik heb enkele uren vertraging opgelopen omdat ik belaagd werd in een donker woud door wilde cataphilen met selfiesticks. ‘’t Is u vergeven, zegt hij, Dante kwam vroeger ook altijd te laat. Maar Delacroix’ boot vertrekt nu, dus koop snel een ticket aan de balie. En vergeet de audiogids niet, die speelt Il est où le bonheur van Christophe Maé.’ Prachtig lied, alleen jammer dat Vergilius’ dactylische hexameters de schoonheid van het ritme doorbreken – een ritme dat vreemd genoeg past bij de hobbelige weg die leidt naar Delacroix’ boot.

 

Het lied vat goed samen waarom ik naar hier ben afgereisd. In de duistere catacomben van Parijs wil ik een antwoord vinden op een vraag die Rousseau zich stelde : ‘Waar is geluk? Wie kent het?’ Vele filosofen heb ik om raad gevraagd, maar niemand heeft me wijsheid gebracht: Epicurus heeft me verteld dat geluk verborgen ligt in een toestand van onverstoorbaarheid, volgens Aristoteles is het verbonden met deugdzaamheid, Stendhal zegt dan weer dat ik het in de liefde moet gaan zoeken. Nog even en ik kan met de vele antwoorden de toren van Babel nabouwen – zeker nu de moderne mens als een gek lijkt te zoeken naar een opium tegen betekenisloosheid. Maar wie van deze spreekt de waarheid? Rousseaus woorden zijn veelzeggend: ‘Allen zoeken en niemand vindt het.’ Elk betoog is in realiteit niks meer dan een hoogdravend discours waar een subjectieve waarheid in schuilt.

 

Schort dus uw oordeel op, lezer. Een groot, vaststaand verhaal vertellen waar iedereen collectief  geloof moet aan hechten, wil ik u niet aansmeren. Wat ik wel wil doen, is constructief zoeken naar geluk via verbeelding. Drie sferen wachten ons op in de catacomben: het Paradijs, de Louteringsberg en het Inferno.

 

Poorten, open u!

 

Laat al uw wanhoop varen, gij die hier binnentreedt.  

            

*

 

Enkele uren nadat ik ingestapt ben in Delacroix’ boot, doorbreekt Vergilius eindelijk het stilzwijgen. ‘Dante begrijpt het niet’, zegt hij. ‘Die betweter denkt dat geluk in het paradijs verborgen ligt, terwijl zich in deze zone net de zondaars bevinden die er niets van snappen. Voor je geluk kan kennen, mijn vriend, moet je “nee” durven zeggen tegen het paradijs. En in het bijzonder tegen twee soorten zondaars die er leven: de lotuseters en de ascetische heiligen.’

 

 

Deel 1: Het Paradijs

Eerste cirkel: de lotuseters

 

Na Vergilius’ litanie meren we aan bij het lotuseiland. Het eiland ziet er vrij kaal uit– enkel een groene struik met honingzoete vruchten trekt mijn aandacht. ‘Stop!’ gilt Odyssee plots, de bewaker van het eiland, wanneer hij me ziet grijpen naar een vrucht om op te eten. Ik schrik bijna even hard als toen ik daarnet Vergilius’ harde woorden over Dante hoorde – zou hij ook zo over mij praten tegen zijn volgende reisgenoot? ‘Dit zijn lotusbloemen’, vervolgt Odyssee, ‘als je ze eet, verlies je je verlangen om straks terug op te stijgen naar de bovenwereld. Dan word je een van hen!’ Verbijsterd kijk ik op naar enkele individuen die doelloos voor zich uitstaren – in hun ogen ontbreekt elke vorm van levenslust. Wie zijn deze levende fantomen? ‘Lotuseters!’ fluistert Vergilius me toe, ‘ken je ze niet?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Het zijn de arme mannen van Odyssee: sinds ze van de bloem hebben gegeten, verlangen ze niks meer, maar ze achten zich wel al 29 jaar volkomen gelukkig in deze toestand. Alle individuen die in de waan leven dat geluk op aarde vervat ligt in een volmaakte, bezadigde toestand, waarin elke vorm van verlangen ontbreekt, komen hier terecht.’

 

In de groep lotuseters zie ik onder meer Hades en Eva. Ik schrik - hoe zijn zij hier ooit beland? Leefden zij niet volmaakt gelukkig in een gouden tijd met eeuwige bloemen? ‘Daar wringt net het schoentje,’ vertelt Odyssee, ‘net als de lotuseters dachten zij gelukkig te leven in een statische, passieve toestand. Maar hoogmoed komt voor de val: Hades keerde naar de aarde om Persephone te grijpen, Eva greep de verboden appel – net omdat ze heel ongelukkig waren. Nu ze hebben ingezien dat volmaakt geluk in wezen heel onvolmaakt is, mag ik ze weg leiden uit het paradijs. De utilitaristen, die je links van je ziet, zal ik daarentegen nog een tijdje laten branden. Ik barst nog altijd uit in angstzweet: als Candide niet had ingegrepen, hadden zij met hun aanstekelijke filosofie de hele wereld omgetoverd in een aards paradijs. Onthoud goed, mijn vriend, dat elke vorm van streven naar een paradijselijke toestand ongeluk en apathie in de hand wekt, hoe aanlokkelijk de volmaaktheid er ook uitziet.’

 

 

Tweede cirkel: de ascetische heiligen

 

Na Odyssees speech wil ik zo snel mogelijk het lotuseiland verlaten. De levensloosheid van de lotuseters staat haaks op mijn levensvreugde. Geluk en verlangen, dat zijn toch twee kanten van dezelfde medaille? ‘Wacht tot je de volgende groep ziet,’ grinnikt Vergilius, ‘die zijn nog apathischer dan de lotuseters! Kijk naar rechts, daar zie je ze reeds: de ascetische heiligen. Of beter, je hoort hen.’

 

Ik hoor inderdaad een reeks schrille stemmen. ‘De pijn zal geheeld worden, de honger gestild, de dorst gelest!’ schreeuwen ze in koor, met Augustinus als koorleider. Maar ze zien er allemaal graatmager uit en het ondergane leed staat te lezen in hun tranende ogen.

 

‘Hier heb ik Dante naartoe gebracht,’ vertelt Vergilius weemoedig, ‘eerlijk gezegd ziet hij er nu zelfs nog ongelukkiger uit dan toen hij met Beatrice samen was. Net als de lotuseters denkt hij dat geluk gelijkstaat aan een volmaakte toestand – het enige verschil is dat de heiligen hun habitat verlegd hebben naar een hemels paradijs. Hun hele leven hebben ze in de waan geleefd dat ze volmaakt geluk zouden vinden na de dood, maar tot nu toe heeft het hen weinig opgebracht. Laten we nu snel vertrekken, ik wil niet dat de bewaker van het eiland, Diocletanius, me ziet. Hij vraagt altijd om een handtekening, maar ik heb geen veer en pen bij.’

 

 

Deel 2: Loutering

 

Hopelijk brengt de Louteringsberg, onze volgende bestemming, meer geluk dan het paradijs. ‘Neptunus is ons gunstig gezind,’ zegt Vergilius met glimlach, ‘we zijn er al.’ Ik zie voor mij een berg oprijzen, die ingedeeld is in terrassen, de rest is een raadsel – wat is het en wie woont er? Vergilius geeft wat uitleg ter verduidelijking: ‘In de Louteringsberg leven de individuen die nog net niet in het Inferno zijn toegelaten: ze beseffen nog niet volledig wat geluk inhoudt. Je zal de intense levensgenieter en de melancholische ziel zien.’

 

 

Terras 1 : de intense levensgenieter

 

Eens uitgestapt uit de boot, word ik verblind door gekleurde lampen en loeiharde beats. Een bewaker komt toe in een piepend karretje van een feloranje roetsjbaan. Wie zou dat zijn? ‘De bewaker van de berg,’ fluistert Vergilius, ‘is niet, zoals je zou denken, Cato De Jongere – die sluwe Dante heeft die gestolen uit mijn mooie Aeneis … Nee, de bewaker heet Thomas Edison.’ Ik wil Edison begroeten, maar een robotachtige kermisstem onderbreekt me: ‘Attention, attention, dames en heren, maak u klaar voor de rit van uw leven!’ Even later vertrekt het karretje met Vergilius, Edison en ik erin, en langzaam dringt het besef tot mij door dat ik heb plaatsgenomen in een rijdende doodskist  die aan steeds hogere snelheid over het terras zweeft.

 

Terwijl ik me in een temporele versnellingstoestand bevind, vult de ruimte zich met een veelheid aan prikkels: ik zie mensen die aan het dansen zijn, maar in acht tellen tijd overgaan van  een wals naar een tango naar een swing, mensen die aan het vrijen zijn maar voor ieder standje een andere partner bespringen. KIJK UIT voor lege, nee volle condooms, mensen die rustig aan het wandelen zijn maar enkele meters verder op een fiets zitten dan in een auto dan in Lamborghini een trein een vliegtuig een straaljager -  stop, ik word hier bloednerveus van! ‘U vraagt, wij draaien!’, giert Edison, terwijl hij bruusk het karretje tot stilstand brengt. Duizelig zie ik een plakkaat: Berlin Alexanderplatz. ‘Welkom in het intense leven,’ vertelt Edison vrolijk. ‘Ik begrijp dat je van slag bent, ik zal het je uitleggen. Hier leven de moderne zielen. Allen zoeken geluk door zo intens mogelijk te leven. Ze zoeken de verandering op, proberen zoveel mogelijk betekenis te geven aan hun leven, zeggen daarmee “nee” tegen een volmaakte toestand. Ze kennen een heel rijk leven, maar wat er ontbreekt, is een diepgaande zelfreflectie. Geluk is voor hen een doel op zich, maar ze weten niet welke diepte er achter schuilt, omdat ze het menselijke leven niet recht in de ogen durven kijken. Ze zijn de tegenhangers van de melancholische zielen, die je op terras 2 vindt. Daar ga je nu naar toe.’ 

Als een stel bleke bladeren die met tegenzin bleven groeien aan een ontwortelde boom, vervoegen de melancholische zielen loom het werkwoord s’ennuyer.

Terras 2: de melancholische ziel

 

Het karretje rijdt terug weg, van 1200 km/u naar 500 naar 100 naar 50 ZONE 30. Een koppel swingt sloom, een laken gaat traag op en neer en een flaneur slentert voorbij. De stroom van daarnet lijkt hier wel uitgevallen. Wat is er mis met dit lege, onttoverende terras, gebouwd uit ruïnes? De zware hemel weegt hier als een deksel op mijn zuchtende geest, de zwarte dag is hier nog triestiger dan de nacht, … en de bewaker van het eiland lijkt net als ik ten prooi gevallen aan een eindeloze verveling. Als een stel bleke bladeren die met tegenzin bleven groeien aan een ontwortelde boom, vervoegen de melancholische zielen loom het werkwoord s’ennuyer; enkel een lijdende jongeman die naar een Lotte roept, brengt verstrooiing, maar de pret is snel gedaan wanneer hij een kogel door zijn hoofd jaagt. Weemoedig vraag ik wat hier gaande is, een van zielen geeft antwoord: ‘Ik weet niet wat het te betekenen heeft, dat ik zo treurig ben.’ Vergilius ziet dat ik deze bekentenis voor mij een raadsel is,  dus verduidelijkt hij: ‘in tegenstelling tot de intense levensgenieters, denken de melancholische zielen te veel na over de betekenisloosheid van het bestaan… Maar ze beseffen nog niet dat ze deze toestand moeten omarmen met vreugde, in plaats van weemoedigheid. Laten we daarom vertrekken naar het Inferno, daar zal je het licht zien.’

 

 

Deel 3: Inferno

 

Na enkele uren dobberen tussen de naakte schedels in de catacomben, spreekt plots een stem: ‘Bestemming bereikt’. Ik denk even te horen dat Vergilius een GPS heeft, maar hij leest uit de Aeneis voor – regel 7.1-147. Hij beveelt me om uit te stappen. ‘Het is jouw taak,’ vervolgt hij, ‘om geluk te begrijpen en het uit te leggen aan je postmoderne medemens. Veel succes, reisgezel.’

 

Enkele ogenblikken later vaart Vergilius weg. Moeder-moederziel alleen sta ik in het Inferno. Ik kijk nog eenmaal achterom en ik zie Vergilius op een heuvel staan. Hij zou toch niet als…

 

Ik loop dieper in het donkere Inferno en kom bij een centrale binnenplaats met aan weerzijden een holte.

 

Aan de linkerzijde van de binnenplaats trekt een man met een schedelbreuk mijn aandacht. Hij wentelt vermoeid een marmeren steen op een heuvel, die slechts enkele centimeters verschuift bij elke duw. Telkens wanneer hij bijna boven is, glundert zijn blik. Maar op het allerlaatste moment valt het rotsblok uit zijn handen en rolt het de diepte in. En dit doet hij wel tientallen, honderdtallen keren opnieuw. Telkens opnieuw zie ik eerst een pijnlijke blik van verontwaardiging op zijn gezicht, hij lijkt wel in huilen uit te barsten. Maar dan volgt een glimlach wanneer hij terug naar beneden loopt. Een glimlach die breder wordt bij elke stap.

 

Rechts zie ik een schedel. De schedel is anders dan de vele doodshoofden die ik onderweg heb gezien. De schedel glimlacht. Alsof hij de eindigheid van het bestaan met een blijk van vreugde heeft omarmd. Onderaan de schedel hangt een kaartje: ‘55 jaar, overleden na elf jaar strijd tegen syfilis.’

 

In het midden van het Inferno zie ik cataphilen. Zonder selfiesticks. Mensen van vlees en bloed. Ze maken beelden, schilderijen en lusters uit schedels, knoken en beenderen. Nog nooit heb ik zo een schoonheid gezien.

 

Impulsief loop ik naar de linkerzijde van de binnenplaats en zet een zwaar rotsblok op mijn schouders. Ik krijg het amper op mijn nek, maar sleur het de berg omhoog, net als de man met de schedelbreuk die mijn diepste lotgenoot is. De tocht naar boven duurt dagen, jaren, eeuwen, nooit lijkt er een einde aan te komen. Wanneer ik eindelijk bijna boven ben, ontglipt de steen mij, tegelijk vallen ook de beelden, schilderijen en lusters van de cataphilen uiteen. Een gevoel van machteloosheid en wanhoop treft me. Maar even later dans ik, zweef ik, en maak ik een koprol wanneer ik terug van de berg loop. En ik begin opnieuw aan mijn tocht, ik sjouw het rotsblok omhoog. En weer val ik. En weer klim ik. En weer val ik. Ik klim. Ik val. Ik klim. Ik val. Maar mijn schedel glimlacht, net als de overleden man van 55 jaar.

 

Ik ben gelukkig, de man met de schedelbreuk is gelukkig, de cataphilen zijn gelukkig.

 

*

 

Als ik de catacomben verlaat, zie ik Vergilius niet meer. God is dood, de doden zijn dood, de levenden gaan dood, maar ondertussen gaat het leven voort.

 

Het leven is een menselijke komedie, beste lezer. Het licht schittert niet in het licht, maar wel in de duisternis.

Steffie Van Neste

Steffie Van Neste (1994) studeerde taal-en letterkunde (Frans-Latijn) en Meertalige Bedrijfscommunicatie aan de Universiteit Gent. Momenteel werkt ze als doctoranda aan de Universiteit Gent aan een proefschrift over Alexandre Dumas. Bewapend met pen en papier wil ze schoonheid scheppen in een maar al te grauwe wereld.

Lees meer over de schrijfresidentie van deBuren

Op zaterdag 16 december komen de schrijvers naar de Brakke Grond

Vertel het verder: