Een historisch festival

'Beste Huis Biermans – Lapôtre, je verblijft van zaterdag 1 tot zaterdag 15 juli 2017 in dit gedicht' van Bob Vanden Broeck.
Door Bob Vanden Broeck op 18 okt 2017
Tekst
Literatuur
Schrijfresidentie Parijs
Fondation Biermans-Lapôtre © Esther Westerveld

Achttien jonge schrijvers namen deze zomer deel aan de schrijfresidentie van deBuren in Parijs. Tijdens deze zesde editie vroegen we aan negen deelnemers een artistieke reactie te schrijven over het thema ‘geluk’. De andere helft schreef over ‘tijd’. In de aanloop naar de Nacht van de Geschiedenis, waar geluk eveneens het centrale thema is, publiceren we deze teksten in ons magazine.

 

Bob Vanden Broeck dicht een historisch festival.

 

Een historisch festival

 

 

Waar de fuck zijn we als we in de wereld zijn?

‘Peter Sloterdijk’

 

 

 

 

Beste Huis Biermans – Lapôtre,

je verblijft van zaterdag 1 tot zaterdag 15 juli 2017 in dit gedicht.

 

 

 

Ik wil hier de sporen volgen tussen jou en mij en

wat ons hier brengt, wat hier ons brengt, wat hier […]

 

Gemeenschap, wondjes verhogen de kans op besmetting:

‘in 2014 waren er 150.000 seropositieve mensen in Parijs.’

 

Onder elke muur van mijn kamer

plaats ik rubberen wieltjes. Ik bevestig in elke hoek

van die kamer twee koperen scharniertjes,

zet mijn mond op kiep en trek mijn lichaam als een trui

binnenstebuiten aan, deel mijn ingewanden uit in de buik

van de stad als meloenen aan toevallige voorbijgangers.

 

‘Wij zijn een mug van elkaar verwijderd.’

 

Ik organiseer hier een historisch festival,

zodra ik begin te zingen ontstaat er een pogo in mijn poëzie.

Het is donker. Wij drinken hier bier, dansen en zingen:

 

The day that I will die me a rich man
I will think about the fortune that I am leaving behind
I will think about the house and cars

I will think about the children I sent to Europe 

 

Ik wil onze bloedsporen volgen, verbanden leggen,

de wond erkennen, een brug slaan tussen jou

en de lagune van Abidjan, de voetsporen

van cacao in de Rue du Colonel Driant.

 

‘Ons land, onze kinderen, onze bomen en rivieren zweten ’s nachts,

hebben hoofdpijn en diarree’. Ik antwoord: Make Our Planet wait, Again,

'het is niet moeilijk, het is niet gemakkelijk.

 

Er loopt bloed uit de lift op de trappen naar

beneden sta ik hand in hand met mijn mecenas

te kijken naar het zweet op de gestreepte ruggen.

 

Het is hier donker bier. Wij, dronken, dansen en zingen.

 

Alexanderparkieten veroveren ons land.

Toeristen zijn er gek op maar ze bedreigen

de inheemse zangvogels. Wij proberen hun verspreiding te beperken

door hen met chemicaliën onvruchtbaar te maken.

 

Geschiedenis is iets heel besmettelijk, de sporen

die we achterlaten liggen, zoals bij Hans en Grietje,

 

Voor ons, een lift vol afgehakte handjes.

Voor ons, een lift vol afgehakte handjes.

Twee buxussen staan als soldaten voor de ingang,

hun geweren aangevallen door Indiase nachtvlinders.

 

Je symmetrisch harnas, de klok een cyclopisch oog

dat blind voor zich uitstaart als een jonge soldaat

in een loopgraaf: wreedheden blijven, heel besmettelijk.

 

Het is hier […]

 

‘Wij zijn trots dat we die strijd

met tranen, vuur en bloed gestreden hebben.’

 

Het dondert in Keulen en Kinshasa, ik word wakker,

Parijs staat in brand, kijk vanuit mijn kamer

uit het dakraam in mijn hoofd naar

buiten ligt de stad als een neutrale zone

tussen twee eeuwen in. De deur gaat open

en daarna automatisch weer dicht.

 

Ik zeg: De wond is een mond die alleen kan genezen

als het litteken kan blijven

spreken. Verwijder de draadjes, verdwijnt

wat ons hecht.

 

In je souvenirkast aan de receptie liggen boeken,

truien, mokken, spoorwegen, smartphones, een elektrische auto,

mijn grootouders, mijn mond en daartussenin, als jachttrofeeën,

besmettelijke muggen, volgezogen met warm bloed.

 

Ondertitels: Fantoompijn, geamputeerde geschiedenis.

 

Herinneringen die vreselijk hard jeuken

maar als je wil krabben weet je niet waar, juist

alsof ze wegglippen tussen de vingers van je huid, hier

op mijn kamer, op familiefeesten

in Parijs en Katanga brandt de jeuk zoals een heet handvat

van de kookpot in het sprookje over Hansjes en Grietjes.

 

Wij zitten op de trappen, drinken hier biertjes,

verzamelen data zoals kinderen tin en tantaal.

 

Twee leopons houden een wapenschild vast boven de deur,

een rubberen wolkje kruipt voor de zon, een ster valt

uit de Belgische vlag op de trappen van mijn tong en

op je harnas, een mozaïek van platgeslagen littekens.

 

Ik word wakker, buiten

er zit een familie Alexanderparkietjes

te krijsen in mijn long

 

[…]

 

 

De ogen van Parijs kleuren steeds geler,

brommers zoemen in mijn kamer tijgermuggen met slagtanden.

 

Adem hapt mij, veel plaats weinig ruimte, mijn longen

opgehangen als lijken aan de tak van een Amerikaanse es:

elk jaar vallen er door fijn stof wereldwijd 2.110.000 doden.

 

Zandsteen is heel besmettelijk, wie krassen wil maken

in onze geschiedenis, krijgt chronischistorische silicose.

 

Oma en opa, twee Alexanderparkieten,

ik herken hen aan hun rode mond, aan het bloed

dat gutst uit hun gesloten mond als zij, zoals nu,

liefdevol naar mij kijken, als wij elkaar omhelzen

voel ik hun harnas priemen in mijn borst.

 

Ik zeg: Spijt maakt van een mens een open wond.

 

Ik zeg: ‘Er zijn blanken waar je uit de muur

alleen maar schuld kan afhalen.’

 

Er is steeds minder ruimte, steeds meer plaats

voor groei, treinen snijden door

de stad ontspoort in twee helften hier

en daar valt uit elkaar als geschiedenis

vandaag doorknippen wij tijd en ruimte,

binden de uiteinden af, als zaadleiders.

 

Wij vallen uit elkaar als schuim in slecht afgewassen bierglazen,

zitten op de trappen, valiezen gepakt,

de hitte is moordend, de stad staat in brand,

elke seconde 1 nieuwe klimaatvluchteling:

 

‘Waar gaan we dan heen? – Altijd naar huis,

naar ons peperkoeken huis.’

 

We worden in twee gesneden door de trapleuning,

zoeken houvast bij wat ons uit elkaar doet vallen.

Bloem. Zweepslag. Vlaggen knallen in de lege lucht.

 

Het vergeten ligt als een trapleuning door

Parijs, Brussel, Antwerpen, Amsterdam en zo verder

uit elkaar maar wij gaan, zullen gingen nog niet naar huis

nog lange niet, nog lange niet.

 

Ik roep: De kanker in de kakker van het kapitalisme!

 

Daar drinken we ons op

een Stella nee een Primus samen nee beter

together met Patrice en Pauline Lukaku en ik

 

denk: Zou hij/zij zich vergissen?

 

 

 

 Bob droeg zijn tekst voor tijdens Mais oui, Paris! op 14 oktober 2017 bij deBuren.

Bob Vanden Broeck

Bob Vanden Broeck (1988) is dichter, essayist en criticus. Hij werkte mee aan diverse tentoonstellingscatalogi in binnen- en buitenland. Hij publiceerde reeds poëzie in Het Liegend Konijn, DW B en Deus Ex Machina.

Lees meer over de schrijfresidentie van deBuren

Op zaterdag 16 december komen de schrijvers naar de Brakke Grond

Vertel het verder: