Een goed excuus

'De hotelkamer heeft twee kleine ramen waar nauwelijks licht doorheen schijnt, ter compensatie zijn de muren knalgeel geschilderd.' Jente Hoogeveen keek in Parijs met een scherp oog naar 'L'arlésienne' van Vincent van Gogh.
Door Jente Hoogeveen op 3 apr 2017
Tekst
Schrijfresidentie Parijs
© Marianne Hommersom

Jente Hoogeveen ging met deBuren naar Parijs in de zomer van 2015. Tijdens de schrijfresidentie bezocht ze heel wat musea en schreef korte verhalen bij kunstwerken die ze daar zag. Het verhaal Een goed excuus schreef ze bij L'arlésienne van Vincent van Gogh.

De regen komt maar niet. Ze zit aan tafel en leunt op het groene tafelkleed. Een kleedje tegen het morsen, hoewel er op dit moment niets te morsen valt. Regen is een goed excuus voor alles, denkt ze. Het kopen van een te dure jas, het te laat of niet verschijnen op je werk, het uitmaken van je relatie (en het de volgende dag weer goed maken, want 'ja, het regende, maar nu schijnt de zon weer.') Gewoon geen zin, wil niemand horen. Mensen nemen dat altijd te persoonlijk.
De hotelkamer heeft twee kleine ramen waar nauwelijks licht doorheen schijnt, ter compensatie zijn de muren knalgeel geschilderd. Haar paraplu ligt klaar op tafel. Het is een rode met een handvat van bamboe, dat eigenlijk plastic is. Twee euro vijftig, het prijskaartje zit er nog aan. Toch ziet het er van een afstandje heel chique uit. Naast de paraplu ligt een paar handschoenen. Het is half juni, maar soms is er onverwachts nog een gure dag. Als de voorbijgangers op straat voor de verandering eens naar binnen kijken, zullen ze iemand zien zitten die goed voorbereid is op de dag. Iemand die op het punt staat te vertrekken.
De telefoon gaat. Het is Edou, dat weet ze omdat hij de enige is die haar Franse nummer nog gebruikt.
'Oui,' zegt ze. Fransen zeggen nooit hun naam aan de telefoon. Ze spelen een spel, altijd weer.
'Hannah, c'est vous?'
'Ja, ja, ik ben het. Je hebt toch zojuist mijn nummer ingetoetst?'
Hij lacht: 'Je klinkt nog altijd hetzelfde.'
'Hoe?'
'Zo Nederlands,' antwoordt hij.
'Bon,' zegt ze, met nadruk op de 'n'.
'Ik bel om er zeker van te zijn dat je komt vandaag. Je bent zo zelden in Parijs, dit mag je absoluut niet mislopen.'
Ze zwijgt, kijkt naar de paraplu.
'Kom toch,' zegt Edou. 'Voor mij en Julie. En laat die vreselijke paraplu van je alsjeblieft thuis. Het gaat niet regenen vandaag.'

 

De metro rijdt haar route grotendeels bovengronds. Helaas, ze houdt ervan om onder de grond door de stad de reizen. In de open lucht is de metro niet veel meer dan een tram. Ze moet overstappen bij La Chapelle. Onderaan de trap staat het kraampje van een man die armbandjes verkoopt. Op een karton voor zijn kraam staat geschreven: 'I can do anything for you right now: Nice day in Paris.' Ze vraagt zich af wat hij zal doen om haar een nice day te bezorgen. Mensen met backpacks en reiskoffers vullen het perron, Gare du Nord is hier niet ver vandaan. Een meisje in een giraffeshirt komt naast haar staan. Ze heeft een zonnebrandsnor, er zit ook een beetje onder haar oog.
De veredelde tram rijdt hen langs hoge huizen met kebab- en pitazaakjes op de begane grond. Het is lang geleden dat ze de geur van de metro heeft geroken. Warm mens vermengd met de geur van krokodillen, zoals je het ruikt in de dierentuin als je de deur van het reptielenverblijf open doet. Ze telt de mensen die stiekem naar andere mensen gluren (het zijn er vijf), om haar gedachten van de gesprekken af te houden die ze straks zal moeten voeren. Naborrelen, met te warme snacks uit de frituur en borrelnootjes uit een schaal waar iedereen in graait maar niemand iets van neemt, behalve dat ene dikke meisje dat altijd in de hoek staat en waar niemand de naam van kent.

L'arlésienne - Vincent van Gogh

L'arlésienne - Vincent van Gogh

 

Ze leerde Edou kennen in Kopenhagen, op de kunstacademie waar ze beiden een half jaar studeren. Zij was eenentwintig, de avond ervoor had ze haar pony bijgeknipt, ietwat scheef, het leek haast mode. Hij was vierentwintig, lang en dun. Hij droeg een te kort shirt waardoor de sporadische haren op zijn onderbuik zichtbaar waren. Ze stonden in de mediatheek, zij zocht een boek, hij stond stiekem te roken in het hok waar ze cassettebandjes uitleenden. Het regende. Hij sprak slecht Engels, zij slecht Frans, maar ze spraken ook allebei geen Deens. Dat was iets. Na de lessen nam hij haar mee naar een lege dansclub, het was maandagavond, en tekende een portret dat totaal niet op haar leek.
'Nu teken jij mij,' zei Edou.
Ze schudde haar hoofd.
'Ik schilder.'
'Schilder mij dan,' zei Edou.
'Ik heb geen penseel.'
'We gaan naar je huis.' Hij pakte haar hand. 'Show me thie way.'
Ze had totaal geen idee waar ze waren, dus leidde ze hem door straten met hoge huizen en gesloten 24/7 winkels, langs een park met moderne beelden waar een oude man op een bankje Rummikub tegen zichzelf speelde. Ze kwamen uit bij de rivier, de gekleurde huizen langs de kade leken allemaal even grijs. Een mislukte zwart-witfoto.
'Nu ben ik officieel de weg kwijt,' zei ze plechtig.
'Dat is oké,' zei Edou. 'Maar dan zul je mij hier moeten tekenen.' Hij overhandigde haar het papier en ging op de kade zitten. Zijn benen over elkaar, twee rode sokken werden zichtbaar. Zijn halflange haar viel voor zijn ogen, het had iets meisjesachtigs. Maar wel een heel mooi meisje. Hij stak een sigaret op, zij probeerde hem te tekenen, het miezerde, er stond veel wind. Druppels vielen op zijn oren en neus. De inkt liep uit, het leek nergens naar. Een alien met een zeilbootje op de achtergrond. Ze moest lachen.
'Waarom lach je?' vroeg hij.
'Je bent scheef,' antwoordde ze.
'Wist je dat volwassenen tachtig procent van de tijd lachen om dingen die niet echt grappig zijn?' Hij keek haar ernstig aan.
'Waarom lachen we dan?'
Hij haalde zijn schouders op: 'Uit schaamte. Of gewoonte.'
Ze overhandigde hem het papier. Nu lachte Edou ook.
Hij zei: 'Thies ies ment to be. You draw like shiet, I draw like shiet. I fink we should be friends.' Daarna gaf hij haar twee kussen op haar wang.

De metro stopt bij Jaurès, de halte die op de uitnodiging staat vermeld. Edou heeft het er in potlood bijgeschreven, hij weet hoe slecht ze de stad kent. Vanaf het metrostation loopt ze een stuk langs het kanaal, er drijven blikken bier in het water. Twee honden vechten om een kapotte fietsband. Het gebouw bevindt zich naast een brandweerkazerne, het was ooit grijs zoals de meeste gebouwen grijs zijn, maar daar is nu niets meer van te zien. Overal zit graffiti. Een regenbooggebouw, maar dan zonder de juiste kleurvolgorde. Ze denkt: een beetje in de war, zoals de mensen hier. Een man in een strakke roze broek en een groen shirt van gaas leunt tegen een paal waar hij tegelijkertijd mee praat. Een jongen en een meisje lopen in een identieke outfit: hun beige blouses tot boven dichtgeknoopt en een broek vol gaten. De lucht die ze boven niet krijgen, lijken ze beneden in te willen halen. Ze draagt haar donkere haar in een hoge paardenstaart, de zwarte jurk valt over haar knieën. Haar onopvallendheid zal opvallen.

Edou had een hekel aan zwart.
'In zwart-wit lijkt alles mooi, dat is geen kunst,' zei hij, terwijl ze door The National Photography Museum aan Søren Kierkegaards Plads liepen. 'Pas als iets kleur verdraagt, wordt het echt aantrekkelijk.' Hij keek naar haar, ze droeg een witte jurk, bijna net zo wit als haar huid. Hij plukte een donkere haar van haar schouder.
'Je bent een plaatje,' zei hij. 'Wacht hier even.' Hij rende weg en kwam terug met een roze regenjas die ze in de museumwinkel verkochten. Op de capuchon waren twee berenoren genaaid, hij zette hem op haar hoofd.
'Zo,' zei hij. 'Niets meer aan doen.'
Na die maandagavond aan de kade had ze hem niet meer gezien. Ze wist niet welke lessen hij volgde en het cassettehok werd gerenoveerd, maar twee weken later stond hij opeens voor haar deur. Ze had haar slaapshirt nog aan: Bambi.
'Ik heb je huis gevonden,' zei hij, terwijl ze de deur opende.
'Ik ook,' antwoordde zij.
'Bambi is mijn favoriete Disney.'
'De mijne ook.'
'We hebben zoveel gemeen,' lachte hij. 'Wist je dat je vlakbij de nachtclub woont?'
'Ja,' loog ze. 'Ik wilde je gewoon niet mee naar huis nemen.'
'Mislukt,' zei hij. 'Nu ben ik er toch. Ga je het mij laten zien?'
Ze nam hem de smalle trap op mee naar boven. Een zolderwoning met uitzicht op de nachtclub.
'Sorry,' zei ze beschaamd. Haar vloer lag bezaaid met kladvellen en penselen, Edou raapte een vel papier van de grond.
'Je kunt echt heel slecht tekenen,' zei hij. 'Maar schilderen doe je mooi.' Hij keek naar het doek op de ezel waar ze zojuist aan was begonnen. Zijn halflange haar had hij in een staart bovenop zijn hoofd gebonden, een zijden blouse fladderde slordig om zijn tengere bovenlichaam. Hij legde een kartonnen tekenmap op tafel.
'Ik ben een serie begonnen, wil je het zien?'
'Alleen als het mooi wordt,' zei ze.
'Het wordt mooi van lelijkheid,' antwoordde hij. Hij opende de map en haalde er een vel uit. Met wat schilderstape bevestigde hij het op haar muur. Het was haar portret uit de nachtclub.
'Is dat alles?'
'Ik ben pas net begonnen,' antwoordde hij. 'Ik noem het My beautiful failures.' Ze keken allebei naar de scheve krassen op het vel papier. De tape liet langzaam los. Er was nauwelijks en gezicht in te herkennen.
'Heb je een bed?' vroeg hij na een tijdje.
'Nee,' loog zij.
'Geen probleem,' zei hij. 'Dan doen we het gewoon op de bank. En daarna neem ik je mee naar het museum, ik moet inspiratie opdoen.'

Aan de zijkant van het regenbooggebouw grenst een veranda, een boog met ballonnen en witte veren omlijst de ingang. In luie stoelen drinken mensen hun wijn en roken e-sigaretten. Zij haalt een pakje peuken uit haar tas en denkt: wij zijn veel te oud voor deze plek. Een jongen met lang rood haar en twee verschillende sandalen neemt haar jas aan.
'Bonjour madame, what ies your name?'
'Hannah Görtz.' Ze wijst het aan op de lijst.
'Where are you from? Poland?'
'Holland.'
'Beautifoel,' zegt de jongen, hij maakt een kusgebaar met zijn rechterhand en wijst haar door een lange gang naar een donkere ruimte. 'I hope you ave a pleasant stay in Paris.'

 

'... Van alle steden waar ik ben geweest, stinkt Parijs het ergst,' zei ze terwijl ze een sigaret op stak. Edou lag naast haar in bed, de dekens tot zijn kin opgetrokken.'Stank is relatief,' zei hij ...'


'Van alle steden waar ik ben geweest, stinkt Parijs het ergst,' zei ze terwijl ze een sigaret op stak. Edou lag naast haar in bed, de dekens tot zijn kin opgetrokken.
'Stank is relatief,' zei hij. 'Voor mij is het de geur van thuis. Plus, aan stank kun je wennen.'
'Ik weet het niet.'
'Ach kom toch, beertje.' Edou kroop naar haar toe, hij kuste haar, de regenjas lag naast hen op de stoel. 'Ik moet mijn serie afmaken. Wat moet ik zonder mijn muze?'
'Doe niet zo ouderwets,' zei ze. 'Wie heeft er tegenwoordig nog een muze?'
Hij sprong uit bed, zette het slaapkamerraam wat verder open en trok de dekens van haar af.
'Niet doen,' riep ze. De koude februariwind maakte kippenvel op haar naakte huid.
Edou stapte door de kamer, als een jurk wikkelde hij de deken rond zijn eigen lichaam. Hij blies haar kushandjes toe.
'Geef terug,' zie ze. 'Ik bevries.' Ze rolde zich op, haar knieën tegen haar harde tepels. De wind blies langs haar rug. Edou ging voor haar staan, hij leek net een hotdog in een heel wit broodje.
'Als je mee gaat naar Parijs, mag je erbij,' zei hij grijnzend.
'Ik haat je,' zei zij.
'Mooi zo,' zei hij, en rolde de deken voor haar uit. 'Dan is dat geregeld.'

In de donkere ruimte staan houten stoelen in lange rijen opgesteld. Er klinkt eentonige muziek, steeds hetzelfde saxofoondeuntje. Aan het plafond hangt een discobal, die witte blokjes door de donkere ruimte laat regenen. Naast het podium in het midden van de zaal staat een groepje danseressen, ze dragen veel make-up en veren. Een lange man in tuinbroek en roze kaplaarzen deelt klappertjes met confetti uit. Hij lijkt een beetje op de jongen van de garderobe. Uiteindelijk lijken we allemaal op elkaar, denkt ze. Hoe hard we ook ons best doen af te wijken, of misschien juist daarom. Edou staat aan de andere kant van de zaal. Zijn haren zijn met veel gel naar achter gekamd alsof hij te hard heeft gefietst. Hij draagt een groene pantalon en een witte blouse, de knoopjes kunnen niet tot boven dicht. Hij is dik geworden. De plukken rond zijn slapen zijn grijs. Een blonde jongen, eind twintig met een beugel, staat naast hem. Hij is in gesprek met een ouder echtpaar. Hij lacht hard, waarschijnlijk om iets dat niet echt grappig is. Zo nu en dan legt Edou zijn hand even op de rug van de blonde jongen. Ze zwaait, Edou ziet het niet.
Een jonge vrouw in een paarse jurk met enorme pofmouwen komt op haar af, zij zwaait wel. Het is Julie.
'Mama, wat goed dat je er bent.' Ze geeft haar twee kussen. 'Ik heb je niet zien binnenkomen, je ziet er goed uit.'
'Dankje. Jij...'
Julie kijkt naar haar jurk, hij zit net iets te strak.
'Tja. Heeft papa voor mij uitgezocht, ik ben toch het bruidsmeisje.'
Ze kijken naar Edou en de blonde jongen. Een fotograaf maakt foto's: eerst van Edou, de blonde jongen en het oudere echtpaar samen, dan alleen van de blonde jongen met het echtpaar en daarna alleen Edou met het echtpaar.
'Hij is best oké,' zegt Julie.
'De jurk of die jongen?'
Julie denkt even na.
'Allebei,' zegt ze dan.
'Is Floris niet mee?'
'Nee mama,' zegt Julie. 'Dat is toch al lang niet meer. Kom, we nemen een goede plek.' Julie pakt haar hand en leidt hen naar de eerste rij.
Ze nemen plaats naast twee kale mannen, ze dragen een broekpak van spijkerstof en matching vlinderdasjes.
'Hannah,' roept de rechter. 'Ma puce! Je bent ook niets veranderd.'
Ze had gehoopt vage kennissen te vermijden, dat zijn altijd de meest waardeloze gesprekken. Je kunt beter praten met een goede vriend of een totale vreemde, alles daar tussenin leidt zelden tot iets goed.

De man in broekpak woonde destijds in het appartement boven dat van haar en Edou. Een zolderwoning met veel katten, waar ze 's zomers weleens op moesten passen. Eén zomer waren er jongen: een rode, een zwarte met witte pootjes en vijf grijze die onderling niet van elkaar te onderscheiden waren. Pavel, een gezette man, begin veertig, met kleine pikzwarte ogen en een voorliefde voor Duits bier en Russische opera, was op bezoek. Hij was een vage kennis van Edou. Pavel hield een monoloog over brie, die maar zelden brie is, net zoals champagne nooit echt champagne is. Na afloop van de monoloog nam hij een flinke hap van de nepbrie en liet zich in de bank zakken. Er klonk een harde gil. Kort en krachtig, daarna was het stil. Vanonder het kussen haalde hij een plat grijs katje vandaan. Gestrekt, precies zoals het beestje daar in slaap was gevallen. Zijn ogen puilde een beetje uit. Na de zomer zat er niets anders op dan zes in plaats van zeven katjes terug te geven aan de bovenbuurman.
'Waar is Poekie?' zei de bovenbuurman.
'Poekie?' vroeg Edou.
'Ja, die kleine grijze.'
'Deze?' Edou hield een klein grijs katje op.
'Nee, die andere. Het waren er vijf.'
'Nee, toch,' zei Edou. 'Vijf? Het waren er vier. Zeker weten vier. Dat zouden wij toch moeten weten, we hebben er de hele zomer voor gezorgd.'
De buurman keek de kamer rond.
'Ja, dat is zo,' zei hij. 'Misschien heb je gelijk.'
'Zo gaan die dingen,' zei Edou, de buurman was weer terug naar boven. 'Hoe meer je van iets hebt, des te minder je er om geeft.'
'Toch niet met alles?' zei zij. 'Van liefde heb je nooit genoeg.'
'Toch wel,' zei Edou. 'Ik denk dat mijn moeder van elke man met wie zij was een stukje minder hield. Uiteindelijk gaat alles op: olie, gas, liefde. Niemand is een onuitputtelijke bron.' Hij keek naar de volkstuintjes aan de overkant van de straat waar ze de geplette kat hadden begraven.
'De komkommers groeien er wonderlijke goed op,' zei Edou. 'Daar zullen we veel plezier van hebben.'

 

'Uiteindelijk gaat alles op: olie, gas, liefde. Niemand is een onuitputtelijke bron.'


De bovenbuurman herschikt zijn vlinderdas, het maakt weinig verschil. Ze denkt: het is toch vreemd dat sommige mensen nooit een naam krijgen. Je vergeet er naar te vragen en op een gegeven moment is het te laat. Dan kom je er dus nooit achter.
'Wat een outfit, Hannah,' zegt de bovenbuurman zonder naam. 'Simplistisch, modernistisch, fantastisch! Jouw gevoel voor mode is nog altijd even raak.'
'Hollandse school,' zegt ze.
'Fantastisch,' herhaalt de man.
'Weer eens wat anders, hè?' zegt de ander en wijst naar de blonde jongen, die alvast begonnen is aan een stuk taart. 'Wie had dat gedacht?'
'Nou ja,' zegt de bovenbuurman. 'Daar bestond geen twijfel over, toch? Hij kijkt haar aan. 'Iedereen in de flat had dat al lang door, maar daar zeiden we natuurlijk niets van. Soms is het beter bepaalde zaken voor jezelf te houden.'
'Ja,' zegt ze. 'Zo gaan de dingen.' Ze strijkt haar jurk glad.
'Maar heel dapper dat je bent gekomen,' zegt de bovenbuurman. 'Heel dapper.'
De man in tuinbroek slingert de discobal nog eens aan. De zaal stroomt voller, de muziek wordt gedempt. Julie plukt haren uit haar blonde vlecht. Een dikke man slaat op een trommel, zweet druppelt over zijn gezicht nog voor hij goed en wel is begonnen.
'Are you ready?' klinkt het door een luidspreker. De mensen in de zaal joelen. 'Are you ready?' zegt de luidspreker nog eens. Edou en de blonde jongen lopen het podium op, ze zwaaien naar de joelende menigte. Net twee leden van het koninklijk huis die zojuist hun buik vol met koek hebben gegeten. De trouwambtenaar drentelt wat ongemakkelijk achter hen aan, hij neemt plaats achter de microfoon. Dan komen de danseressen op. Ze doen een poging tot buikdansen, het lijkt nergens naar. Ze zijn ook net iets te mollig voor hun strakke verenpakjes. Het overgrote deel van de gasten is gelukkig te dronken om het op te merken, ze klappen en fluiten op hun vingers. Edou lacht, hij klapt mee met de trom en de menigte. Zijn pantalon is net iets te kort. Hij draagt rode sokken.

 

 


foto Jente © Marianne Hommersom

Deze tekst werd geschreven tijdens een residentieproject in Parijs van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre in de zomer van 2015.

 

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Jente schreven in Parijs? Klik hier.

Vertel het verder: