De kakkerlak

'Tussen ons bevond zich zeker nog een halve meter grijs trottoir, maar ik wilde me niet opdringen aan mijn metgezel - tenslotte kun je vriendschap niet forceren. Ik zei simpelweg 'bonsoir'. De kakkerlak zei niets, deed niets, liep niet naar me toe of van me weg.'
Door Gemma Venhuizen op 3 apr 2017
Tekst
Literatuur
Schrijfresidentie Parijs
© Marianne Hommersom

In 2015 ging Gemma Venhuizen mee met de schrijfresidentie van deBuren in Parijs. Ze schreef een kortverhaal waarin het hoofdpersonage een kakkerlak leert kennen. Wandel samen met hen langs de Parijse trekpleisters en door het verleden.

De kakkerlak

Op mijn derde avond in Parijs raakte ik bevriend met een kakkerlak. Het was op de kruising van de Rue de Bercy en de Boulevard de la Bastille dat hij uit een putdeksel omhoogschoot, en verdwaasd bleef staan in het straatlantarenlicht. Een paar passen van hem vandaan stond ik, stokstijf. Wegbenen wilde ik het liefst, maar mijn nieuwsgierigheid won. Ik had nog nooit een kakkerlak ontmoet. Nog nooit gezien hoe een kakkerlakschild glom, hoe fijn de voelsprieten eruitzagen. En dus zette ik mijn tas neer en ging zitten op de stoeprand. Tussen ons bevond zich zeker nog een halve meter grijs trottoir, maar ik wilde me niet opdringen aan mijn metgezel - tenslotte kun je vriendschap niet forceren. Ik zei simpelweg 'bonsoir'. De kakkerlak zei niets, deed niets, liep niet naar me toe of van me weg. We zaten samen, in stilte.

 

Ik was aan de avondwandeling begonnen om de Seine te zien, maar eenmaal aan de kade voelde ik me verdwaald, misplaatst. Het water lonkte; even had ik overwogen om te vallen. Mijn ballerina's achter te laten onder een bankje en dan op blote voeten te balanceren op de kaderand, tot ik per ongeluk mijn evenwicht verloor. ‘Sterven vereist minder moed dan leven,' zei mijn vader na de zelfmoord van oom Luuk. Of dat klopte wist ik niet, maar van één ding was ik overtuigd: vallen vereist minder moed dan springen.
Zelfs aan de moed om te vallen ontbrak het me. Het water zou koud zijn, misschien waren er vissen en glibberig groen, en bovendien: wat als ik spijt kreeg maar geen trappetje kon vinden? Wat als ik viel en iemand zag me, en me achterna zou moeten springen? Wat als ik viel en niemand zag me?
Het was te warm om naar mijn hotel terug te keren – en bovendien: de slaap kon ik toch niet vatten – dus was ik blijven wandelen. Langs Port de l'Arsenal, langs de opera, tot aan het putdeksel.

Ik dacht aan het enige wat ik over kakkerlakken wist, dat je ze nooit moest doodtrappen, tenminste: de vrouwtjes niet

De kakkerlak liep een paar passen van me vandaan, op het randje van de stoep, maakte toen toch een scherpe bocht en kwam mijn kant weer uit. Ik dacht aan het enige wat ik over kakkerlakken wist, dat je ze nooit moest doodtrappen, tenminste: de vrouwtjes niet, want dan zou je honderden eitjes onder je schoenzool mee naar huis nemen.

Een stelletje passeerde ons, innig gearmd. De jongen at een Turkse pizza en er vielen een paar sliertjes kool op de stoep. Ik pakte een sliertje op, legde hem neer voor de kakkerlak. De kakkerlak deed niets, en na een paar minuten at ik het zelf op - afgezien van een croissantje in de Jardin du Luxembourg, kort voor zonsondergang, had ik de hele avond niets gegeten. Het was de dag waarop Thomas en ik vijf jaar bij elkaar zouden zijn geweest.

 

'Eet smakelijk,' klonk het naast me. Het was een vriendelijke stem, laag en zacht. Enigszins melancholisch. De kakkerlak deed een paar passen mijn richting uit. 'Het is dat ik al gegeten heb, anders had ik graag samen met u gedineerd. Woont u in Parijs?'
Ik schudde mijn hoofd, vertelde dat ik een paar dagen eerder uit Amsterdam was gekomen. Was gevlucht, wilde ik zeggen, maar ik kende het Franse woord niet.
'Bienvenue, madame, bienvenue. Parijs is een prachtige stad, als ik zo vrij mag zijn. Heel aantrekkelijk voor toeristen. En voor de inwoners.'
Hij pauzeerde even. 'Hebt u de Eiffeltoren al gezien?'
Ik knikte, vanuit de verte ja - niet van dichtbij. Ik was er destijds met Thomas, tijdens onze eerste keer Parijs, al geweest.

 

De kakkerlak zuchtte. 'Zelf heb ik hem nog nooit mogen aanschouwen. Wanhopig word ik ervan. Dag in dag uit kom ik hem tegen, op de servetjes van de crêperie, op de plastic tasjes van de groenteboer. Hemelsbreed leef ik hooguit enkele kilometers van zo'n wereldwonder vandaan, en toch ben ik er nog nooit geweest. Dat stemt mij droevig. Uitermate droevig, madame.'
Het stoorde me dat de kakkerlak me niet tutoyeerde, en dat hij me aansprak met 'madame'. Tweeënhalf jaar geleden was het, dat Thomas en ik samen hier waren. Ergens in de tussentijd ben ik, zonder dat ik het doorhad, veranderd van mademoiselle in madame. Zonder dat ík het doorhad.

Hij was het die het had voorgesteld: een weekendje Parijs, net als vroeger. Om weer eens wat tijd samen door te brengen, nu hij de laatste tijd zoveel weg was voor werk. Hij zou trakteren.

 

'Ach,' zei ik. 'De Eiffeltoren ...' De kakkerlak onderbrak me. 'Laatst sprak ik een stel mieren dat met een vracht meloenen was meegelift vanuit Malaga om de toren in het echt te aanschouwen. Maar liften durf ik niet - je weet nooit wat voor gespuis je treft. Te voet heb ik het menigmaal geprobeerd, maar er is eigenlijk geen beginnen aan. Keer op keer vertrek ik, ervan overtuigd dat ik ditmaal echt op de ...'
Er naderde iemand, en mijn kameraad vluchtte halsoverkop de dichtstbijzijnde put in. Even later verscheen hij weer. 'Nu vroeg ik mij af ...' Hij schraapte zijn keel. 'Hebt u behoefte aan gezelschap?' Met uw ferme tred zouden we er in een mum van tijd zijn, en 't lijkt me prachtig, de toren samen te aanschouwen.' Hij bloosde. 'Tegen betaling uiteraard. Ik heb nog wat kaaskorstjes liggen, als u dat blieft.'
De dag dat de Thalystickets met de post arriveerden, was ook het rekeningafschrift gekomen. Dat we elkaars post niet openden was een ongeschreven regel, maar ik lette alleen op het banklogo, niet op de naam. Eerst dacht ik dat de bank een fout had gemaakt, dat ze mij het afschrift van heel iemand anders hadden gestuurd. Zelfs toen ik de initialen van Thomas zag, drong het nog niet meteen tot me door. Chique hotels in Amsterdam op avonden dat hij voor werk in Maastricht moest zijn. Avonden waarop hij voor honderden euro's contant geld had gepind.

'De Notre-Dame, daar hoef ik nooit heen. Daar is een oom van mij gestorven. Zijn kinderen hebben het met eigen ogen gezien. Afschuwelijk.'

'Wat denk je van de Notre-Dame?' vroeg ik aan de kakkerlak. 'Ook een toeristische trekpleister. En daar ben je vanaf hier zo.'
'De Notre-Dame, daar hoef ik nooit heen. Daar is een oom van mij gestorven. Zijn kinderen hebben het met eigen ogen gezien. Afschuwelijk.'
'Eigenlijk wilde ik gaan slapen ...' begon ik, maar de blik in zijn ogen was zo droevig dat ik haperde. 'Vooruit,' zei ik, 'we gaan naar de Eiffeltoren.' Hij wreef in zijn voorpoten. 'Prachtig! Werkelijk prachtig! Ik kan u niet genoeg bedanken!'
Ik wuifde zijn bedankjes weg. ''t Is niets. Kom, we gaan richting metro. Anders missen we straks de laatste. En lopend is me te ver.'
Zijn gezicht betrok. 'De metro, dat lukt me niet. Te traumatisch. Een neef van mij is eens gruwelijk aan zijn einde gekomen toen hij de Moulin Rouge wilde bezoeken. Onder de voet gelopen op het Gare du Nord. Maar als ik zo vrij mag zijn een suggestie te doen: hier in de buurt zijn fietsen te huur. Het is een heel handig systeem, de hele nacht door bruikbaar.'

'Hij heeft versnellingen!' riep ik. 'Versnellingen, op een simpele stadsfiets!' Ik zou de Parijzenaars weleens laten zien wat trappen was, met mijn Amsterdamse kuiten.

Ik pakte de kakkerlak en zette hem voorzichtig op mijn schouder. Gezamenlijk begaven we ons naar de stalling met huurfietsen. Mijn metgezel wees me hoe ik met mijn creditcard voor 24 uur een abonnement kon afsluiten, en ik pakte de dichtstbijzijnde fiets uit het rek. De kakkerlak nam plaats in het stalen mandje voorop. 'Hij heeft versnellingen!' riep ik. 'Versnellingen, op een simpele stadsfiets!' Ik zou de Parijzenaars weleens laten zien wat trappen was, met mijn Amsterdamse kuiten.
Na nog geen tien minuten vervloekte ik mijn naïviteit. Op het stadsplan had de route er onschuldig uitgezien, breed, recht. Maar op mijn plattegrond ontbraken hoogtelijnen, waren de hellingen van Parijs gladgestreken.

Kuddegetrouw had ik steeds voor de metro gekozen, het vlakke negatief van Parijs, de duistere zijde van de lichtstad. Mijn benen waren elk reliëf ontwend.
Bij het stoplicht kreeg ik een sms'je van Thomas: 'Ik hoop dat je in Parijs het geluk terugvindt.' Ik dacht aan wat mijn vader vroeger zei als ik tevergeefs klavertjesvier zocht: dat je geluk niet kon vinden maar moest maken. Dat vier klavertjesdrie samen ook drie klavertjesvier waren. Maar hoeveel grasvelden ik de afgelopen dagen ook had bezocht, in de Jardin des Plantes, in de Jardin du Luxembourg: nergens een klavertje te bekennen. In te goed onderhouden groen is geen ruimte voor geluk.

 

Hoe oud ze waren, had ik aan Thomas gevraagd, de avond dat hij het opbiechtte. Hij had zijn schouders opgehaald, dat leeftijd er toch niet toe deed. Hoe oud ze godverdomme waren, had ik geschreeuwd, dat het er wel toe deed, dat alles er toe deed, dat alles er toe leek te doen behalve ik, behalve wij.
Het lag niet aan mij, had hij gezegd. En ook niet aan hem goedbeschouwd, want uit wetenschappelijk onderzoek was gebleken dat mannen zich vooral aangetrokken voelden tot vrouwen van in de twintig, die waren op hun vruchtbaarst. En het lag nu eenmaal in de mannelijke natuur om te jagen ... Heus, het was niets persoonlijks. Te jagen, had ik gehoond, zeshonderd euro op een avond om je te verzekeren van buit. Dat hij blijkbaar niet eens in staat was op eigen kracht een jachttrofee te scoren.
Hij had geantwoord dat ik de zaken volstrekt uit hun verband trok, dat die betaling juist te maken had met zijn liefde voor mij, dat ik er gewoon naar moest kijken als een zakelijke transactie. ‘Vreemdgaan kun je het eigenlijk niet noemen.'

 

De kakkerlak en ik staken de Seine over. Voorovergebogen trapte ik voort. 'Ik ben zeeziek,' hoorde ik de kakkerlak mompelen vanuit het mandje. Bij de Jardin des Plantes, op de hoek van de Rue Buffon, remde ik, tilde hem op de grond. Vol afschuw keek hij om zich heen. 'Is dit dat park met die dierentuin?' brieste hij. 'Met die stadsdierentuin? Een walgelijke plek, kan ik u verzekeren, mevrouw, ronduit walgelijk! Hier hebben tien van mijn dochters de dood gevonden. Zo trots waren ze, toen ze vernamen dat de dierentuin kakkerlakken zocht. Eindelijk eens een instituut dat onze soort op waarde schatte. Zodra ze hoorden van de vacature konden ze over niets anders praten: hoe ze in de dierentuin een eigen kooi toebedeeld zouden krijgen, met eten in overvloed, en altijd bewonderende blikken van bezoekers ... "Ga maar," heb ik ze nog gezegd. "Solliciteer maar, mijn lievelingen, mijn meisjes. Jullie verdienen het geluk. Papa zal jullie vaak komen opzoeken." Na een week of drie besloot ik op bezoek te gaan - je wilt als vader toch niet te opdringerig zijn. Ik vroeg aan een rat bij de ingang waar de kakkerlakken zich bevonden. "In het reptielenhuis," antwoordde hij, en natuurlijk had zijn grijns me moeten waarschuwen. Maar ik dacht alleen: het reptielenhuis, grappig, nooit geweten dat we verwant zijn aan de hagedissen. Ik was net op tijd om te zien hoe mijn laatste dochter in de muil van ...'
Ik nam de kakkerlak op schoot en aaide hem over zijn schild. Hij droogde zijn tranen aan de zoom van mijn jurk en zuchtte. 'Mijn misselijkheid is gezakt. Laat ons onze weg vervolgen.'

 

We fietsten langs de Seine over de Quai Saint-Bernard, de kakkerlak had zich weer op mijn schouder geposteerd, dat zat prettiger dan in het mandje. Hij zette zijn pootjes schrap in mijn vel om niet weg te waaien. 'Ach mevrouw, weet u ... Die machteloosheid die je voelt als vader, starend door het glas. Verschrikkelijk. En het verlies van een tiental dochters mag wellicht bescheiden klinken - mijn broer heeft er eens vijftig in een klap verloren - maar het blijft je kroost. Het blijft je kroost.' Op de hoek met de Quai de la Tournelle gingen we linksaf de Boulevard Saint-Germain op.
'Ik heb me vaak afgevraagd,' vervolgde de kakkerlak, zijn stem verheffend, 'wat dierentuindieren hebben dat wij niet hebben. Schoonheid, vermoed ik. Maar,' riep hij, ‘ik troost mezelf met de gedachte dat het beter is lelijk te zijn en vrij, dan je dagen mooi en gekooid te slijten.' Ik knikte, sprak niet uit hoe Parijs de afgelopen dagen voor mij als een gevangenis had gevoeld. De hekken van de Jardin du Luxembourg, de smeedijzeren Franse balkonnetjes, de metroroosters waarboven mijn jurk soms in Monroe-stijl opwaaide: tralies waren overal.

'Ik heb me vaak afgevraagd,' vervolgde de kakkerlak, zijn stem verheffend, 'wat dierentuindieren hebben dat wij niet hebben.'

Tien minuten voor middernacht arriveerden we bij de Eiffeltoren. De trappen zouden tot een half uur na middernacht open blijven, stond er op een bordje bij de kassa. De kakkerlak slaakte een diepe zucht op mijn schouder. ‘Schitterend. Werkelijk schitterend. Nog mooier dan ik me had voorgesteld.' Hij aarzelde even. ‘Als het niet te veel gevraagd is ... Ik zou zo gaarne een kijkje boven nemen.'
Tijdens de klim merkte ik pas hoe moe ik was. Misschien zou ik vanavond eindelijk weer eens slapen. Op mijn schouder klapte de kakkerlak opgetogen in zijn voorste poten. ‘Dat ik dit nog mag meemaken! Dat ik dit nog mag meemaken!'
Op de eerste verdieping vroeg ik of dit hoog genoeg was. ‘Absoluut!' riep hij verheugd. ‘Formidabel!' Ik zette hem op de balustrade, waar hij een rondedansje maakte. Vervolgens keken we samen uit over de stad. Dat hij niet wist hoe hij me genoeg kon bedanken, zei hij. Dat ik hem zo gelukkig had gemaakt.
Ik zei dat er niets te danken viel en dat ik blij was dat we elkaar hadden ontmoet; dat ik eerder op de avond nog had overwogen om mezelf te verdrinken in de Seine maar dat ik door zijn gezelschap weer was opgeklaard. Ik zei het luchtig, lachend, alsof ik zojuist een mop had verteld, maar hij keerde zich naar me toe en keek me ernstig aan.
‘Dat je er een eind aan moet maken als je het niet meer ziet zitten, is een grote misvatting,' zei hij streng. ‘Je moet juist stoppen met het leven op het hoogtepunt. Alors ...' Toen maakte hij een achterwaartse salto, de diepte in.

 

 

Gemma Venhuizen


 

foto Gemma Venhuizen © Marianne Hommersom

Deze tekst werd geschreven tijdens een residentieproject in Parijs van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre in de zomer van 2015.

Tijdens Mais oui, Paris! stond Gemma op het podium bij deBuren en droeg ze een fragment voor uit haar andere Parijstekst De roof van de Maashagedis. Herbeluister de avond hier.

 

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Gemma schreven in Parijs? Klik hier.

Vertel het verder: