Van de Maaneilanden tot La Courneuve: een ballingenparcours

'Als opeengestapelde konijnenhokken bieden de HLM’s onderdak aan al degene die zich niet de luxe kunnen veroorloven in Parijs intra muros te wonen.'
Door Stephanie Lepage op 25 feb 2016
Tekst
Schrijfresidentie Parijs
© Marianne Hommersom

Tijdens de schrijfresidentie in Parijs in 2014 maakte Stéphanie Lepage een reportage over de Comoorse gemeenschap in La Courneuve, een flatgebouw van 26 verdiepingen in een voorstad van Parijs. Een stuk over dromen en identiteit, traditie en toekomst aan de rand van de grootstad, waar de jeugd even vaak 'maniok' als 'camembert' spreekt.

Vertaald uit het Frans door Michel Perquy.
Lees de originele versie hier.

 

 

Je komt er al na enkele haltes van de RER, amper tien minuten nadat je de chique handelsbuurt Châtelet achter je hebt gelaten. Op de trein vang je al de eerste Comoorse woorden op. Sommige passagiers dragen de traditionele muts, de kofia. Een stem kondigt 'La Courneuve – Aubervilliers' aan. De deuren schuiven met een droge klap open. Uitstappen.

Eerst moet je door een paar straten vóór je ze te zien krijgt. Zoals de sterren ooit de dhows naar de haven van Moroni gidsten, zo leidt de toren de Comorezen naar hun eigen buurt. Trots domineert het torenhoge flatgebouw met zijn 26 betonnen verdiepingen La Courneuve en het is er meteen ook het symbool van, het verzamelpunt. Rechts ervan verrijst de zogenaamde Tour du Mail, minder hoog maar breder, met hele trossen schotelantennes als versiering.

Op het plein in de winkelbuurt, in de schaduw van de twee gebouwen, alleen maar typisch Franse toestanden. Een supermarkt, een postkantoor, een ‘tabac’. Er blijft in die noordelijke buitenwijk niet veel over van het idyllisch beeld van de ‘lichtstad’ Parijs. Alleen nog densiteit en beton. Als opeengestapelde konijnenhokken bieden de HLM’s onderdak aan al degene die zich niet de luxe kunnen veroorloven in Parijs intra muros te wonen.

Hier leven ook duizenden Comorezen, ver van de schoonheid van hun Maaneilanden. Ze zijn afkomstig van een kleine archipel bestaande uit vier eilanden in de Indische Oceaan. Een Franse kolonie tot in 1975, maar nu de onafhankelijke Unie der Comoren.

Hoewel ze een beetje overal in Parijs wonen, hebben de meeste Comorezen en Fransen van Comorese afkomst elkaars nabijheid opgezocht in La Courneuve waar ze iets van hun gemeenschapsleven in stand konden houden. Ze worden ‘je viens’ genoemd omdat ze als ze weer eens in hun land van herkomst zijn steevast vertellen waar ze vandaan komen (‘je viens de …’), vooral van Marseille of Parijs.

Natuurlijk wonen ook andere mensen in die buurt. Veel Noord-Afrikanen en ook enkele rasechte Fransen. Maar de Comorezen hebben er hun eigen dorp in de stad gevestigd. Net zoals ‘thuis’ rond de vergaderboom verzamelen ze zich hier aan de voet van de toren. De azuurblauwe horizont heeft plaats geruimd voor een oceaan van grijs beton. Maar de lange tunica’s zijn er schering en inslag. Op het plein en in de straten rondom dragen velen de traditionele kledij. En net zoals ‘thuis’ begroeten ze elkaar in het Comoors.

 

La Courneuve in het nieuw

Je komt in de toren zoals in een duiventil. Aan weerszijden van de naakte inkomhal een reeks liften. Ze werken maar de helft van de keren, of afwisselend, wat het leven van de bewoners van de hoogste etages op regelmatige tijdstippen tot een hel maakt. Wij stoppen op de tweede etage. Aan het einde van een lange gang met een vloer van versleten mozaïek waar nooit zonlicht komt, ligt de woning van Abdou Ahmed en zijn vrouw Mariam. Ze wonen er sinds 2003, eerst op de zestiende verdieping en nu dus lager, in een iets grotere flat. Alles is relatief …

Abdou zit op de bank, met zijn jongste op schoot. Zijn twee andere jongens drentelen wat rond in de bescheiden woonkamer. Als hij geen vrije dag heeft, werkt de dertiger bij de gemeentelijke reinigingsdienst in Parijs. Hij staat al heel vroeg op om tegen zessen aan het werk te gaan in het elfde arrondissement. 'Leuk is het niet, maar het komt goed uit, want zo kan ik ook voor de kinderen zorgen.' Mariam komt de kamer in, haar gezicht bedekt met een msindzano, een traditioneel masker van klei dat Comoorse vrouwen dragen om zich tegen de zon te beschermen of hun huid vochtig te houden.

Het is ramadan, de heer des huizes en zijn vrouw zien er vermoeid uit. 'Sinds het begin van de vastentijd hebben ze me van ginder al zeven keer opgebeld. Ze vragen me allemaal om geld op te sturen voor de kosten van de ramadan.' Gewoonlijk stuurt Abdou sowieso al wekelijks of maandelijks geld naar de familie, al naargelang zijn mogelijkheden. 'Ze denken ginder dat we hier als steenrijke lui leven, dat we geld hebben, maar het is allemaal niet zo makkelijk …'

Abdou kijkt even naar buiten. De lucht is zwaar bewolkt en het motregent. Aan de overkant ligt een esplanade van beton, aan de zijkant de Tour du Mail met haar twaalf verdiepingen. Niet bepaald een decor om vrolijk van te worden.

Toch mogen we de verbeteringen die de buurt op verschillende vlakken heeft gekend, niet onderschatten. Volgens de bewoners kon je tot enkele jaren geleden de deur niet uit met je gsm in de hand of je tas over de schouder zonder dat die je in een mum van tijd afhandig werden gemaakt. In die tijd trok La Courneuve als een magneet al het geboefte uit de naburige banlieues aan en de wijk stond bekend als draaischijf van allerlei handeltjes. Het is tegenwoordig zeker nog niet allemaal perfect, maar er is een hele weg afgelegd, vooral dankzij een ware gedaantewisseling van de stedelijke omgeving. De Tour du Mail is nu het laatste overblijfsel van wat vroeger de Cité des Quatre Mille Logements was, de belangrijkste ‘cité’ van La Courneuve, die tussen 1956 en 1967 werd opgetrokken. Daar woonden toen zo’n 17.000 mensen en het was een echte stad in de stad. Maar dat concept van reusachtige woonblokken was een regelrechte ramp en kreeg ook veel kritiek. Het bestuur dat lang voor de cité verantwoordelijk was, het Office HLM de la Ville de Paris, voerde toen een beleid dat erop gericht was een betaalbare flat in de banlieue toe te kennen aan gezinnen of bevolkingsgroepen die het Parijse stadsbestuur liever kwijt dan rijk was: bewoners van sloppenwijken, Parijse lagere bedienden, gerepatrieerden uit Noord-Afrika, Afrikaanse en later Aziatische, Chinese, Pakistaanse en Tamilimmigranten … Het overgrote deel van de bewoners van La Courneuve was sociaal kansarm en onvermijdelijk verkommerde de woonwijk zienderogen tot hij na enkele jaren echt in staat van verval verkeerde.

Het was wachten op de jaren tachtig om het begin van een stadsvernieuwing te zien. Een eerste flatgebouw werd afgebroken om plaats te maken voor het Quartier Orme. In het jaar 2000 werd de Tour Renoir neergehaald, gevolgd door de Tour Ravel en de Tour Présov in 2004. Daarna onderging de Tour Petit Balzac hetzelfde lot en tot slot moesten in 2010 ook de bewoners van de Tour Balzac hun stek verlaten, weliswaar in een klimaat van hevige spanningen omdat de drugtrafikanten vreesden hun territorium te verliezen. Het kwam dus tot een zeer uitgebreide en langdurige operatie van stedelijke renovatie om het zwaar geschonden uiterlijk van de wijk te veranderen en de dan ontstane leemtes weer op te vullen. Talrijke projecten hebben deze keer nieuwe wijken op mensenmaat doen ontstaan, waar ook plaats was voor waterpartijen, speelpleinen en zitbanken … Nu blijven alleen nog ‘La Tour’ over en haar buur, als de enige littekens van de vroegere reusachtige open wonde.

 

Paria’s in de diaspora

Assoumani is in de vijftig en leeft al heel lang in het Franse moederland. Hij woont met zijn echtgenote Fatima en hun vier kinderen in een flat van veertig vierkante meter op de twaalfde etage. Hij is net thuis van het werk en zoekt wat ontspanning door op tv naar voetbal te kijken. 'We zijn net slaven. Slaven van degene die ginder zijn gebleven.' De man heeft destijds hoofdzakelijk om economische redenen zijn eiland verlaten. Hij heeft werk als schoonmaker en zo kan hij iedere maand een klein bedrag sparen dat hij naar het thuisland stuurt waar het erg van pas komt.

Maar Assoumani denkt ook aan zijn pensioen. Het huis dat hij in zijn geboortedorp laat bouwen, schiet goed op. Wanneer het klaar zal zijn en hij nog wat geld bovenop zal hebben gespaard, wil hij naar de Comoren terugkeren. 'Ik heb een deal gesloten met de kinderen. Nu betalen wij voor hun opleiding en later betalen zij voor ons. Ze zullen ieder tweehonderd euro per maand sturen en dat zal ons helpen een goed leven te hebben.'

Maar het gezinshoofd moet daarvoor nog voor een andere gebeurtenis geld sparen, met name voor zijn Ada, of: groot bruidsfeest. Alleen middels deze traditionele plechtige viering kan hij een m’drumzima worden, een 'volledige man'. Pas dan kan hij het woord nemen op het dorpsplein, een ereplaats bekleden bij feestelijke aangelegenheden en bij iedereen respect afdwingen. Het ‘groot bruidsfeest’ van het echtpaar zal verschillende dagen duren en kost een hoop geld. Maar het maakt niet uit. De sociale druk is bijzonder groot en je kunt eigenlijk alleen maar als ‘volledige man’ naar je land terugkeren.

 

De familie Mzembaba

Assoumani behoort tot de eerste generatie Comorezen die als volwassenen naar Frankrijk kwamen en niet de bedoeling hebben er tot hun dood te blijven. Na de ballingschap, de verwijdering, het labeur, zal Assoumani heel waarschijnlijk naar ‘huis’ terugkeren.

Maar voor de kinderen, voor de tweede of de derde generatie van Franse Comorezen, liggen de zaken niet zo eenvoudig. Ze zijn in Frankrijk geboren, ze zijn in Frankrijk naar school gegaan, ze zijn voortdurend in de Franse cultuur ondergedompeld en hebben een ‘gemengde’ identiteit. Ze spreken even vaak ‘maniok’ als ‘camembert’. In tegenstelling tot hun voorgangers dragen ze op straat zelden of nooit de traditionele kledij. Die hebben ze maar al te graag voor een westerse outfit verruild.

Lopend langs het flatgebouw komt Kamaria thuis van het werk. De twintigjarige slanke en kokette dochter is kinderverzorgster en heeft net een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur afgesloten. Ze mag in september beginnen. 'Ik ben in La Courneuve geboren en heb hier altijd geleefd. Dit is mijn thuis.” De jonge vrouw heeft maar twee keer een vakantie doorgebracht in het land van haar ouders en ze kan zich helemaal niet voorstellen daar te gaan wonen. 'Ik ben een Franse Comorese, maar ik wil hier leven. Ik zou niet kunnen terugkeren naar mijn thuisland, gewoon vanwege de leefomstandigheden. Er is in ons dorp niet eens stromend water.'

Kamaria’s weg leidt verder, weg van de flatgebouwen. Na de afbraak van de Tour Balzac in 2010 is het gezin verhuisd naar een nieuw gebouw van amper vier verdiepingen. 'Veel beter dan vroeger. Hier mogen we van onze ouders het huis uit zonder gevaar te lopen.' Kamaria is de oudste van de kinderen … al scheelde dat maar een haar! Haar tweelingzus Aminata is amper een half uur na haar geboren. Enkele jaren later zijn er nog twee broertjes bijgekomen: Amal en Ali. Als oudste heeft Kamaria ook haar naam aan haar moeder gegeven, die in de hele buurt bekend staat als ‘Maman Kamaria’. Die is net in de keuken bezig om samosa’s van vis, mkatra foutra-broodjes, gemarineerde kippenvleugeltjes en nog andere gerechten te bereiden voor het einde van de vastendag. De kleine en ietwat mollige vrouw draagt een saluva, een traditionele Comorese stof die boven de borst wordt samengeknoopt. 'We koken hier niet op z’n Frans maar verkiezen de Comorese keuken! Het kost geen moeite want we vinden alle ingrediënten in de winkel aan de voet van de toren. Vlakbij dus.' Het geluid van de mixer gaat de strijd aan met dat van de tv in de zitkamer. Die staat vrijwel de hele dag afgestemd op de Franse zenders of de ORTC, de Comorese zender die het gezin via een satellietschotel kan ontvangen. Papa Kamaria is nog maar net thuisgekomen van de moskee en zit nonchalant op de bank. Toch helpt hij zijn vrouw regelmatig bij de bereiding van de maaltijden, hij zelf heeft trouwens meer dan twintig jaar in een restaurant vlakbij het Gare de Lyon gewerkt. 'Het was een Italiaans restaurant, maar het ging in 2012 dicht. Al het personeel werd ontslagen. Nu ben ik oud en thuis, ik trek werklozensteun. Ik ben werk blijven zoeken maar heb nog niets gevonden. Ze willen tegenwoordig alleen nog jonge mensen.' Aan de wand hangen foto’s van een sleutelmoment in het leven van het echtpaar: hun eigen groot bruidsfeest dat in 2010 op de Comoren werd gevierd, nadat ze er jaren voor hadden gespaard. Trots als een pauw in zijn Arabisch aandoende kledij in zwart en goud, poseert papa Kamaria tussen zijn twee dochters. Dat hij zich de luxe van een groot bruidsfeest in het thuisland heeft kunnen veroorloven, dankt hij aan heel veel jaren hard labeur in Frankrijk. 'Ik heb me hier afgejakkerd, ik hield er een kapotte knie aan over. In de moskee moet ik op een stoeltje zitten, op mijn knieën gaat gewoon niet meer.'

Precies om die reden heeft de huisvader ook een gelijkvloerse woning aangevraagd toen het flatgebouw waar ze woonden werd afgebroken. Trappen waren voor hem totaal uit den boze. 'Ik woon sinds 1991 tot nu in La Courneuve. Ik wil niet verhuizen omdat we het hier goed hebben. Er zijn geen problemen. Ik leef hier rustig en goed met mijn gezin. Het was ook fijn op de Comoren, maar het probleem was dat we er geen werk vonden. We zijn om die reden naar hier gekomen, om werk te zoeken. Indien er werk was op de Comoren zou iedereen daar blijven.'

 

De generatie ‘camembert’

Een deur slaat dicht, Ibrahim komt op zijn beurt thuis. Een dertiger met pretogen, het vijfde kind van het gezin. Hij is geen biologische zoon van papa en mama Kamaria, maar hij woont al heel veel jaren bij hen. Hij is feitelijk de zoon van een tante die ginder is gebleven. Ibrahim heeft zijn vriend, een zanger, meegebracht en ze trekken zich gauw terug in de kamer van de jongeman: ze moeten voor een nakend bruidsfeest nog stukken toirab inoefenen, een traditionele Comoorse muziek.

Ook de meisjes zitten of liggen op hun bed in hun kamer achterin. Kamaria bereidt haar activiteiten voor ’s anderendaags voor, Aminata kijkt verstrooid naar een tv-serie terwijl ze ook met haar gsm aan het chatten is. De twee jonge vrouwen begrijpen wel Comorees maar kunnen het niet vlot spreken. 'Spreken? Nee, zou ik niet kunnen,' bekent Aminata. 'Als mama Comoors spreekt, begrijp ik de algemene teneur, maar er zijn zeker dingen die mij ontgaan. We zouden de gewoonte moeten aannemen hier thuis Comoors te spreken, maar we doen het niet. Het brengt ons nogal in verlegenheid als we in het thuisland zijn.' Maar net zoals haar zus, is Aminata zich haar rijke identiteit bewust. 'Ik vind dat ik een Française van Comorese afkomst ben. Ik vergeet niet dat ik in Frankrijk geboren ben, toch? Maar tegelijkertijd voel ik me bijna meer Comorees dan Frans.' Als je haar vraagt waar ze later wil verblijven, aarzelt Aminata een paar seconden. 'Heu … in Frankrijk, ja, in Frankrijk. Het lijkt een beetje contradictoir,' geeft de jonge vrouw lachend toe. 'Maar hier zijn alle essentiële dingen toegankelijk terwijl er op de Comoren veel dingen kunnen ontbreken zoals hygiëne, voedsel … Natuurlijk ligt ook hier niet alles zo maar voor het grijpen, maar we hebben niet te klagen.'

Haar vader die intussen de tafel dekt, deelt niet dezelfde mening. Papa Kamaria hoopt nog altijd terug te kunnen keren naar de plek waar hij is opgegroeid. 'Ik ben blij dat we hier leven, maar ik blijf naar een mogelijkheid zoeken om ooit naar de Comoren terug te keren. Daar is onze thuis. Daar moeten we onvermijdelijk naar terugkeren.'

Het is tien uur, het einde van de vastentijd. Op tafel vormen een tiental gerechten en garnituren een overvloedige maaltijd. Het hele gezin gaat aan tafel, met de tv aan. Vanavond nog zullen ze de familie in het thuisland bellen om te horen hoe het hun gaat.

Over La Courneuve is de avond gevallen. De lichten in de flatjes verlichten het hele torengebouw. Op de perrons van de RER blijven Comorezen elkaar kruisen, de ene op weg naar huis, de andere alweer richting centrum Parijs. Parijs, hun gaststad of voortaan de stad van hun hart.

 


foto Stéphanie © Marianne Hommersom

 

Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

 

Stéphanie schreef ook een stuk over het museum Montmartre. Lees hier De ziel van Montmartre.

 

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Stéphanie schreven in Parijs? Klik hier.

Vertel het verder: