Het is de schuld van Napoleon

Wat als Nederland en Vlaanderen samen waren gebleven? Vorig seizoen hield de karavaan van Een gemiste kans? halt in Diest. Marc Reugebrink riep op tot verzet: 'Daarom, inwoners van Diest, daarom is nu de tijd aangebroken voor een tweede Belgische Opstand! Guy Swinnen of Mario Aerts for president!'
Door Marc Reugebrink op 18 jan 2016
Tekst
Politiek & samenleving
Wetenschap & geschiedenis
Een gemiste kans

Wat als Nederland en Vlaanderen samen waren gebleven? Vorig seizoen hield de karavaan van Een gemiste kans? halt in Diest. Marc Reugebrink deed op 5 april de denkoefening, waarna burgemeester Jan Laurys op zijn historisch visioen reageerde. Klik hier om de avond te herbeluisteren

Misschien is het allemaal de schuld van Napoleon. Hij was een slecht voorbeeld voor de allereerste vorst van Nederbelgië. Immers, op 16 maart 1815 riep Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, zonder dat iemand het hem werkelijk had gevraagd, zichzelf uit tot koning der Verenigde Nederlanden en tot hertog van Luxemburg. Wat Napoleon kan, kan ik ook, moet hij gedacht hebben, en drukte zichzelf de kroon op het hoofd.
            Napoleon was in 1815 net even terug-van-weg-geweest — u zult het zich herinneren — en met name de Engelsen en de Pruisen liep het meteen dun door de broek. Vandaar dat ze op het Congres van Wenen in september 1815, Willem Frederik — voortaan Willem I — in zijn koningschap bevestigden. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, zoals het toen nog heette, zou een sterke bufferstaat ten noorden van Frankrijk zijn. En Napoleon was dan weliswaar in juni van dat jaar bij Waterloo verslagen, die Fransen waren natuurlijk niet te vertrouwen.

Het blijft spijtig dat het Belgisch leger in 1831 meteen onder de voet gelopen werd.

Van die sterke staat, zoals we nu weten, is natuurlijk helemaal niets terecht gekomen. De verwatenheid van de feitelijk eerste vorst van wat nu Nederbelgië heet, maakte al onmiddellijk duidelijk dat er op dat moment werd samengevoegd wat voor altijd gescheiden had moeten blijven. De Porticisten — genoemd naar de heldhaftige burgers die op 25 augustus 1830 tijdens de opvoering van de opera De stomme van Portici van Daniel François Esprit Auber de aanzet gaven tot anti-Hollandse rellen en uiteindelijk tot de Belgische Revolutie — de Porticisten hadden het destijds bij het rechte eind: de brutale overname van heel de Lage Landen door enkel Holland leidde tot de knechtschap waaronder de Belgen nu al zo lang leven. Het blijft spijtig dat in de augustusdagen van 1831, toen de Hollandse legers bij Poppel België binnenvielen en de Tiendaagse Veldtocht een aanvang nam, het Belgisch leger zo slecht georganiseerd was dat het meteen onder de voet gelopen werd. Onder andere Diest speelde daarin een treurige rol: het bood geen enkele weerstand tegen de troepen van Willem I en diende gewillig als springplank voor een aanval op Leuven, en uiteindelijk Brussel. Dat de Belgen toen juist op de Fransen rekenden om hen te hulp te snellen, was een jammerlijke, en — het moet gezegd — toch ook wat domme vergissing. Ik zei al: Fransen zijn niet te vertrouwen.
            En zo ontstond wat wij moeten ondergaan: een Nederbelgië die naam onwaardig, omdat dit land noch nederig, en al helemaal niet Belgisch is.

Het heeft niet zo mogen zijn. En dat heeft alles te maken met twee fundamentele weeffouten die maakten dat Nederbelgië een land was dat voortdurend slagzij maakte.

Ik wil niet op voorhand uitsluiten dat het toch nog iets had kunnen worden met ons: een rijk, welvarend land onder één vlag, economisch sterk, met een dito sterke cultuur, en daarbij een te duchten militaire macht in het noordwesten van Europa. We hadden immers de kolenbekkens in de Borinage en Limburg, en juist toen internationaal gesproken het belang van kolen als brandstof afnam, boorde men onder het piepkleine Slochteren in de provincie Groningen een gasbel aan die ons de afgelopen decennia honderden miljarden Hollandse Franken heeft opgeleverd. Na de Gouden Eeuw had een Diamanten Era in het verschiet kunnen liggen, één die Kaiser Wilhelm in 1914 misschien wel twee keer had doen nadenken alvorens Nederbelgië binnen te trekken, en wie weet was ook Hitler een aantal decennia later bij Aken linksaf geslagen om pas ter hoogte van Mulhouse Frankrijk binnen te vallen.
            Het heeft niet zo mogen zijn.
            En dat heeft alles te maken met de fundamentele weeffouten die ten grondslag liggen aan onze natie en die van meet af aan hebben gemaakt dat Nederbelgië een land is geworden dat voortdurend slagzij maakt.


U weet dat ik in deze contreien een inwijkeling ben, geboren in de provincie Overijssel, een kleine dertig kilometer van de Duitse grens, in de prachtige landstreek die Twente heet. Ik woon nu inmiddels alweer 17 jaar in Gent, maar ik kan natuurlijk niet verhullen dat ik van Noord-Nederbelgische herkomst ben. Ik kan dus begrijpen dat de mensen mij, alleen al op grond van mijn uiterlijk en zeker op grond van mijn accent, associëren met de spreekwoordelijke Hollander. Maar zoals u misschien weet: ook Overijssel, net als Groningen, Friesland, Drente, Gelderland, Flevoland, Limburg, Noord-, Vlaams- en Waals-Brabant, West- en Oost-Vlaanderen, Zeeland, Henegouwen, Namen, Luxemburg, Luik en Antwerpen — net als al deze provincies was ook Overijssel nooit meer dan een wingewest voor Holland, een gebied dat vanwege zijn zoutwinning en zijn landbouw interessant was voor wie in Nederbelgië de dienst uitmaakte. U en ik delen in wezen dezelfde afschuw als het om die spreekwoordelijke Hollander gaat, hebben een grondige, en ook gegronde hekel aan zijn verwatenheid, zijn arrogantie, ja zelfs zijn hufterige onbeschoftheid, aan de luide betweters die zij zijn, maar vooral aan hun narcistische zelfglorificatie die maakt dat zij op ieder terrein — economisch, politiek én cultureel — alleen hun eigen navelpluis zien en doof, stom en blind blijven voor wat in de rest van het land leeft. De literatuur die in Maarkedaal, Ingooigem, Wortegem-Petegem, in Aarschot, Hasselt en… ja, ook hier in Diest geschreven wordt, ze wordt op haar best stiefmoederlijk behandeld in de drie cafés rond het Spui in Amsterdam waar zich, zo menen de Hollanders, de enige échte Nederbelgische literatuur afspeelt. Het taaleigen van de Vlaming — maar ook van de Limburger, de Groninger, om over de Waalse minderheid maar te zwijgen — dat taaleigen wordt zonder pardon als achterlijk terzijde geschoven en het leeggeschraapte, al te harde Hollands, het Hollands van gereformeerde scherpslijpers en calvinistische asceten wordt zonder pardon tot norm verheven — een taal waarin u zich niet — maar vergis u niet: ik mijzelf al evenmin — kunt terugvinden. De Beeldenstorm van 1566 is niet tot de kerken beperkt gebleven; ze heeft zich ook voltrokken in de taal.

De Beeldenstorm van 1566 is niet tot de kerken beperkt gebleven; ze heeft zich ook voltrokken in de taal.


Het is maar om te zeggen dat ik het u niet kwalijk neem dat u mij op straat soms voor vuile Hollander uitmaakt, ook al heb ik meer met u gemeen dan u op basis van mijn voorkomen en accent kunt vermoeden. De onderdrukking door de Hollander van alles wat buiten zijn eigen achtertuin leeft, woont en werkt, heeft bijna vanzelfsprekend geleid tot gevoelens van ressentiment jegens hen die naar voorkomen en uitspraak met die Hollander enige gelijkenis vertonen. Het zij u vergeven.



Maar het wijst ons nog maar eens op de eerste weeffout in het ontstaan van deze natie: dat er bij het samenvoegen van de beide landsdelen nooit serieus rekening werd gehouden met wat in de geschiedenisboeken nochtans duidelijk omschreven staat als ‘het particularisme van de Hollandse steden’, de steden in de provincies Noord- en Zuid-Holland, het particularisme van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag: het streven van die steden om hun onafhankelijkheid te bewaren binnen een grotere staat en alles buiten zichzelf te herdefiniëren naar hun maatstaven, hun idee van normaliteit. Het was altijd al, ook lang voor 1815, een hinderpaal in het streven naar eenheid binnen de Nederlanden. En na 1815, toen de Hollandse steden het voortouw namen, werd het wat het nu is: een vorm van imperialisme. Het mag u niet verbazen dat in Nederbelgië de Hollandse steden altijd op de Vlaamse zijn voorgegaan. Aan de verzanding van de Westerschelde is nooit iets gedaan omdat Antwerpen koste wat het kost als havenstad moest verdwijnen ten gunste van Rotterdam — en we weten in welke deplorabele staat de eens zo trotse havenstad Antwerpen zich nu bevindt: economisch, politiek en moreel. De slechte bereikbaarheid van Brussel per spoor en over de weg is een welbewuste tactiek van de Hollandse steden om die stad klein te houden. Er zijn miljarden Hollandse Franken geïnvesteerd in de infrastructuur van wat we wel de Hollandse Randstad noemen, maar in Limburg rijdt men nog over zandwegen.
            De tweede weeffout ligt in het gegeven dat het vroegere België van het vroegere Nederland altijd al gescheiden werd door een diepe kloof, een kloof die het best te omschrijven is als die tussen katholicisme en protestantisme. Ik wees u al even op het verschil in taalgebruik, maar dat staat niet los van het verschil in visie op de wereld: de in se frivole blik van de katholiek, al kent ook hij zijn zondeval, en de koude blik van de protestant die niet gelooft in vergissing en vergeving, maar enkel in misdaad en straf. De twee zijn niet te verzoenen — en het is nog een andere reden waarom de kunst, de literatuur die in deze contreien wordt gemaakt, in Holland straal wordt genegeerd. De Hollander ziet in het bloemrijke een poging tot bedrog, en niet de viering van het volle leven die het zou kunnen zijn en zo vaak ook daadwerkelijk is.
            Alweer, ik heb persoonlijk niet de pretentie noch het vermogen om mij als katholiek onder u te begeven. Ik heb door mijn verhuizing naar Gent ontdekt dat ik meer van de protestant in mij heb dan ik voordien voor mogelijk had gehouden — ik meende altijd a-religieus te zijn, werd zonder religie grootgebracht. Maar eenmaal hier in het zuiden bleek het protestantse denken en doen toch een immense invloed op mijn doen en laten te hebben gehad. Zoals ik ook inzie dat ik ondanks mijn virulente afkeer van de spreekwoordelijke Hollander voor u, en ook voor mijzelf, nog steeds meer met hem gemeen heb dan ik zelf wenselijk acht. Vergeeft u mij mijn directheid en onverbloemd spreken, dames en heren, maar ik ben hier vandaag niet alleen maar naar Diest gekomen om u te vertellen wat u zelf allang weet en aan den lijve ervaart: dat de vermaledijde Hollander van Nederbelgië een staat heeft gemaakt waarin er eerste- en tweedeklasburgers bestaan, waar hele gebieden in de ellende zijn gestort door de fonkelende eigendunk van de zich aan zichzelf spiegelende dames en heren achter de duinen van Scheveningen tot aan Den Helder, waar de taal en uitdrukkingsmogelijkheden onder curatele zijn geplaatst van hen die spreken en schrijven met de zuinigheid van grutters en de saaiheid van boekhouders, waar de waarheid geen achterkant kent, waar er Hollandse eenstemmigheid wordt vereist in situaties die niet om consensus maar om compromissen vragen, niet om rücksichtslose rechthaberei maar om milde toegevingen.

Daarom, inwoners van Diest, daarom is misschien nu de tijd aangebroken voor een tweede Belgische Opstand!


U weet het. U kent het. U woont in Diest. U heeft in uw geschiedenis geleden onder brandschattende Spanjaarden, gewelddadige Fransen, plunderende Sansculotten en nietsontziende Oostenrijkers. En u lijdt samen met de rest van Nederbelgië, van Roodeschool in het uiterste noordoosten tot Ploegsteert in het uiterste zuidwesten, nog steeds onder de gesel van de Hollander, de Hollander die u uw eigen identiteit ontzegt en die van u in plaats van een breugheliaans blozende ingezetene van een gul en uitbundig land, een kribbige, sombere in zijn slachtofferrol gedwongen aardappeleter heeft gemaakt.
U verdient beter.
            Daarom, inwoners van Diest, daarom is misschien nu de tijd aangebroken voor een tweede Belgische Opstand, is de tijd aangebroken om een vuist te maken tegen de Hollandse dominantie in Nederbelgië — en hoe zou u dat beter kunnen doen dan de huidige Koning van Nederbelgië, hij die zich Willem Alexander noemt, eindelijk de door hem al zo lang gekoesterde titel van ‘Baron van Diest’ af te nemen, en alle voorrechten daarmee verbonden. Dat wij ‘Baron van Diest’ maken wie die titel toekomt. Dat wij ‘Baron van Diest’ maken wie uit Diest afkomstig is. Dat wij die titel schenken aan een Diestenaar die tegen alle Hollandse tegenwerking in toch een heldenstatus wist te bereiken. Laten we zeggen: Guy Swinnen. Laten we zeggen: Timmy Simons. Laten we zeggen: Mario Aerts.
Dames en heren, sta op uit uw zetel: laat vandaag in Diest beginnen wat niet in Diest zal eindigen, wat zich zal verspreiden langs de oevers van de Demer tot aan de monding van de Schelde, ‘wees immer uzelf, en ongeknecht, het woord getrouw dat g’onbevreesd moogt spreken, voor Diest, voor vrijheid en voor recht’.

Marc Reugebrink,
Diest, 5 april 2015

 

Benieuwd naar meer?

Herlees hier de toespraken van andere schrijvers die zich voor de reeks Een gemiste kans? over de vraag bogen: 'Wat als Nederland en Vlaanderen samen waren gebleven?'

 

Over de reeks

Wat als Nederland en België samen waren gebleven?

Met deze grootschalige historische oefening trekt deBuren naar verschillende steden in Vlaanderen en Nederland. Telkens laten we een schrijver en de burgemeester aan het woord. Zij gaan in gesprek met Marc Reynebeau. Singer-songwriter Lucky Fonz III geeft een
miniconcert waarvan het Nederbelgisch Feestlied het orgelpunt vormt.

05.03.15 Mechelen | Met: Bert Kruismans & Bart Somers
01.04.15 Leuven | Met: Atte Jongstra & Louis Tobback
05.04.15 Diest | Met: Marc Reugebrink & Jan Laurys
21.09.15 Haarlem | Met: Luc Devoldere & Bernt Schneiders
30.09.15 Tilburg | Met: Jeroen van Zanten & Peter Noordanus & Wim van de Donk
20.10.15 Gent | Met: Philip Freriks & Daniël Termont
06.11.15 Den Haag | Met: Christiaan Weijts & Jozias van Aartsen 
24.11.15 Rotterdam | Met: Sarah Moeremans & Ahmed Aboutaleb

 

In het kader van BesteBuren.

 

Vertel het verder: