Verhalen uit het Hoge Noorden | Keramiekmuseum Princessehof, Fries Museum & Tresoar in Leeuwarden

Deze zesde Museumtoer houdt halt in Leeuwarden. De Vlaamse radiomaker en blogger Heleen Debruyne leert er een mondje Fries en laaft zich aan streekverhalen. Op naar het Hoge Noorden! WIN! deBuren geeft 10 duotickets weg voor deze drie musea.
Door Heleen Debruyne op Wed 27 May 2015
Lees/luister/kijk
Museumtoer




deBuren stuurde twee jonge schrijfsters naar interessante musea over de grens. Niña Weijers ging naar Vlaanderen, Heleen Debruyne spoorde naar Nederland. Reist u hen achterna? In de zesde aflevering volgen we Heleen Debruyne naar Leeuwarden. Een verslag.

WIN!
Wilt u deze musea met eigen ogen ontdekken? Stuur voor 2 juni 2015 een e-mail met als onderwerp 'Debruyne Leeuwarden' naar info@deburen.eu. Vermeld duidelijk uw volledige naam en postadres. De winnaars krijgen van ons een e-mail.

Vind hier het overzicht van alle steden en musea.

 

Keramiekmuseum Princessehof






Keramiekmuseum Princessehof - gevel en winkel

Ik spits mijn oren tot het uiterste - maar dat helpt me niet om veel betekenis in de Friese woordenstroom te ontwaren. Wanneer ik het opgeef krampachtig te luisteren maar me laat meedrijven op de klanken van het Fries, begrijp ik ineens wel alles - of toch bijna. Ik begrijp dat de actrice die voor me staat een verzamelaarster van keramiek speelt, een vrouw die haar einde voelt naderen en een bestemming wil vinden voor haar monumentale collectie van 888 zeldzame borden. Ik hoor haar praten over haar woelige verleden, haar tragische liefdesleven en over wat haar tot verzamelen drijft. Volgens haar is een collectie één en ondeelbaar. Met die visie staat ze lijnrecht tegenover een jonge, ambitieuze curator van het Keramiekmuseum, die vindt dat een verzameling niets is zonder de lijm - de persoonlijkheid van de verzamelaar - en dat je er dus naar willekeur stukken uit mag plukken. Daar gaat Brekber over, een voorstelling van het Friese theatergezelschap Tryater, gespeeld op de zolder van het Leeuwardse Keramiekmuseum Princessehof in een decor van, jawel, 888 wit-blauwe borden, prachtig gearrangeerd in doorschijnende dozen.

Zo'n toneelstuk in het museum, met stukken uit het museum als decor en kapstok voor de plot, past perfect in de opzet van het Princessehof. Het museum presenteert niet zomaar keramiek, maar vertelt ‘verhalen over keramiek uit Azië en Europa'. Die verhalen kunnen op allerlei manieren gebracht worden: ze organiseren authentieke Japanse ceremonies , theeproeverijen, antiekspreekuren en activiteiten voor kinderen. Het is een aanpak die succes oogst: het museum bracht in 2014 een indrukwekkende schare bezoekers op de been, voor een toch niet zo evident thema als keramiek. (foto: Aziatische keramiek)

 

Het Fries Museum

Op een paar straten van het zeventiende-eeuwse herenhuis waar de keramiekcollectie huist, staat een erg groot gebouw, dat het Wilhelminaplein overheerst en sterk contrasteert met het neoclassicistisch gerechtsgebouw. Dat is het in 2013 geopende nieuwe thuis van het Fries Museum, dat wordt beheerd door dezelfde stichting als het Princessehof.






Fries Museum © Gerard van Beek

Ook dat Fries Museum hangt aan elkaar van de verhalen. Het wil 'het verhaal van Friesland' vertellen, een ‘eigenzinnig stukje buitenland in Nederland'. De eerste tentoonstellingsruimte die ik binnenkom, voelt dan ook meer aan als een modern rariteitenkabinet, dan als een typisch provinciaal museum. Een ruw stuk hout bewijst dat de Friezen er al in de eerste eeuw na Christus met bootjes op uit gingen, dapper het woeste water bezwerend. Een negentiende-eeuwse stempel voor koosjere kaas laat zien dat Leeuwarden ooit een grote Joodse gemeenschap had, waar de industrie handig op inspeelde. Een pot met munten toont dan weer aan dat de Friezen in de achtste eeuw ook al gewiekste handelaars waren. Friesland zit vol prachtig kwaliteitsvee, vertelt een schilderij van een achttiende-eeuwse koe.






Fries Museum - Horizonnen © Ad van Denderen

Na een tijdje ronddwalen door de verschillende afdelingen en tijdelijke exposities, zie ik een stramien: de tentoonstellingsmakers presenteren voorwerpen, waar ze een goed verhaal aan kunnen ophangen. Dat levert vermakelijke exposities op. Zo wordt ‘Oud Geld' ingeleid door een levensgrote videoversie van Jort Kelder, bekende Nederlander die op tv een programma heeft waarin hij oude rijken aan de tand voelt. Kelder vertelt voor het museum sappige verhalen over de levens van een paar figuren uit de zeventiende-eeuwse high society van Leeuwarden - Friesland was toen na Holland de rijkste en belangrijkste provincie. Die who's who uit de Gouden Eeuw is een mooie manier om portretten en zilverwerk uit de vaste collectie aan op te hangen, kunstvoorwerpen die anders toch een beetje doods blijven.

Ook het Fries Verzetsmuseum op de tweede verdieping hanteert die methode. Bonnenboekjes, weckpotten, paspoorten, een jurk uit parachutestof, een paar schoenen van een Amerikaanse piloot dat via een Duitse soldaat aan de voeten van een Joodse onderduiker is geëindigd; het zijn ogenschijnlijk banale voorwerpen die het bezette Friesland tot leven toveren.







Fries Museum - Zaailand

Onderhoudend is het zeker, zo'n museum vol verhalen, die je kan lezen, beluisteren en bekijken. Maar wel selectief: ik ga vergeefs op zoek naar kritische informatie over de collaboratie in Friesland. Meer dan een foto van de door de bezetter aangestelde burgemeester van het dorp Kollum vind ik niet. Hoeveel Friezen waren actieve collaborateurs? Hielp het lokale bestuur bij de deportatie van de Joodse gemeenschap in Leeuwarden? Ik kom het niet te weten.

Je kan je ook afvragen of alles zo nodig een verhaal verdient. Het toneelstuk over de 888 borden uit het Princessehof, bijvoorbeeld. Dat stuk is speciaal geschreven voor het museum en dat laat zich voelen. De vele vertelsprongen geven het geheel een vleugje van een deurenkomedie - wat staat die Sloveense huisknecht met zijn gekke Duitse accent eigenlijk op het podium te doen?

Maar om aan gegronde theaterkritiek te doen, verbaas ik me te hard over het feit dat ik de niet-ondertitelde Fries gesproken scènes zo goed kan volgen. Als ik er zonder enige voorkennis in slaag om een complex verhaal te begrijpen, is het Fries dan wel een taal, vraag ik me af. Waarom is het dan niet gewoon een dialect, zoals het West-Vlaams van mijn geboortestreek?

Anders dan het West-Vlaams is het Fries officieel erkend als autochtone minderheidstaal en wordt het beschermd door het Europees handvest voor regionale talen. In 1980 werd ook een Standaardfries vastgebeiteld en Friese taal- en letterkunde is een keuzevak op de middelbare school.

Volgens de Friese taalkundigen Eric Hoekstra en Alex Riemersma zijn er drie belangrijke eigenschappen die een taal van een dialect onderscheiden. Een eerste is de taalafstand: verschilt de taal genoeg van andere talen? Op het eerste gehoor zou ik geloven van niet: de taal klinkt dan wel erg van het Algemeen Nederlands, maar in West-Vlaamse oren niet zo veel meer dan een ander dialect. Maar toch: het Fries heeft zich naast het Nederlands ontwikkeld en is er niet, zoals het West-Vlaams, uit verbasterd. De Friese grammatica staat bovendien in sommige opzichten dichter bij het Engels dan bij het Nederlands.

Wel heeft het Fries, in tegenstelling tot het West-Vlaams, een sterke schrijftaaltraditie, en dus een zekere taalstatus - een tweede voorwaarde om van een taal te kunnen spreken. De Bijbel, de Ilias en de Odyssee en zelfs het complete werk van Shakespeare zijn in het Fries vertaald.

Tresoar






Tresoar © Haye Bijlstra

Er is een heuse wetenschappelijke bibliotheek in Leeuwarden - Tresoar - die alles wat verschijnt over Fryslân en het Fries verzamelt en digitaliseert. Tresoar is een modern gebouw op een groot, leeg plein. Binnen turen een paar bejaarde genealogen door microfilmkijkers, in een donkere tentoonstellingsruimte loopt een expositie over een lokale aquarellist. Alle bordjes zijn consequent tweetalig. 'Onze Friese boeken worden erg goed uitgeleend,' zegt de baliemedewerker me. Maar dan brengt hij me ernstig in verwarring. 'Maar zelf spreek ik geen Fries. Jawel, ik ben wel in Friesland geboren. Maar in Leeuwarden: in de stad spreken we niet zo plat.'

Dat brengt me bij de derde eigenschap van een echte taal: de taalwil. Hoe veel moeite willen de sprekers doen om hun streektaal te gebruiken en door te geven? Dat lijkt buiten Leeuwarden, waar ze vaak het meer op het Hollands lijkende Stadsfries spreken, wel goed te zitten: er zijn Friese lessen op school en de Friestalige ‘Omrop Fryslân' wordt goed bekeken. Volgens Tjeerd Rintjema, medewerker van het museum, plattelander en trotse Fries, zit het Fries-zijn hem net vooral in die taal. ‘Elders in het land lachen ze er wel mee, maar voor ons is het Fries een echte taal.' Aan zijn taalwil valt niet te twijfelen. Hij is geen uitzondering: de meeste Friezen willen Fries praten.

Na dit bombardement van verhalen ben ik er nog niet helemaal achter wat ‘Fries' is, en of en hoe de taal die identiteit mee vormt.

‘We zijn rechtdoorzee: wat we zeggen, maken we waar. We zijn ook stug - dat is erg on-Nederlands. Al zijn ze in Groningen nog een stuk stugger,' wil Tjeerd nog kwijt. Misschien zijn de Friezen niet anders dan zoveel andere volkeren, die hun identiteit spinnen uit de mist van het verleden en een gecultiveerd zelfbewustzijn - ze zijn anders dan de rest, deels omdat ze dat zo graag willen zijn.

 

 

Heleen Debruyne (1988) is een historica met weinig geduld voor archieven. Ze haalde een master in de journalistiek en werkt nu als achter-de-schermen-radiomaakster bij Klara en soms bij Radio 1. Ook schreef en schrijft ze voor Knack, De Morgen City, DeWereldMorgen, cuttingedge.be en voor zichzelf. Tijdens haar Parijsresidentie schreef Heleen enkele blogberichten. Voor haar tekst over de grootstad nam ze een kijkje bij de polyamoureuze beweging in Parijs en schreef daarover het stuk Meerminners in Parijs. Dit artikel verscheen eerder in De Morgen Magazine en een fragment werd voorgelezen op Klara in het programma Happy Hour. Ze maakte ook een radiodocumentaire over het Musée des Lettres et Manuscrits. Beluister hier Voltaire's liefste wetenschapper.

Heleen Debruyne © Marianne Hommersom

Vertel het verder: