Het oplichtend hart

In oktober vertrok de jonge filmmaker Michiel Robberecht naar de Congolese jungle om met lokale krachten een film te maken die vrij geïnspireerd is op het theaterpersonage Peer Gynt. Ciné Peer is een zoektocht in de afgelegen brousse naar de jongen die zichzelf betoverde door de magie van zijn eigen heldenverhaal. Hier lees je deel twee.
Door Michiel Robberecht op 6 jan 2015
Tekst
Literatuur

In oktober vertrok de jonge filmmaker Michiel Robberecht naar de Congolese jungle om met lokale krachten een film te maken die vrij geïnspireerd is op het theaterpersonage Peer Gynt. Ciné Peer is een zoektocht in de afgelegen brousse naar de jongen die zichzelf betoverde door de magie van zijn eigen heldenverhaal. Hier lees je deel twee.

 

Na een lange schokkerige autorit over een afgelegen brousseweg kom ik eindelijk aan in Bwamanda, het dorp in het Congolese woud waar mijn zoektocht naar Peer begint en waar ik een kleine cinema als modern kampvuur zal opstarten. De nacht valt al over het dorp en het woud wanneer ik mijn eerste stappen in de enkele kleine straatjes van Bwamanda zet. Overal zie ik kleine traditionele huisjes, opgebouwd met zand en daken van palmbladeren. Het contrast is dan ook groot met het mooie klooster, de kerk, en enkele oude koloniale villa's die sluimerend aan de rand van het dorp staan. Vroeger was Bwamanda namelijk een populaire trekpleister voor vele mensen uit het woud door het grote economische en culturele succes dat het dorp kende. Vandaag de dag leeft het dorp, net zoals zo vele andere dorpjes, opnieuw op het ritme en met de grillen van het bos.

Plots passeer ik een bosje met een mysterieuze paal erin verstopt. Ik maak een kleine opening in het struikgewas en zie dat het een vervallen elektriciteitspilaar is. Het lijkt het of het bos stilletjesaan letterlijk terug bezit over het dorp heeft genomen. Even blijf ik staan en kijk ik om me heen. Terwijl de nacht over het woud en het dorp valt, zie ik al de kleine hutjes waarin zacht flikkerende vuurtjes beginnen te branden. Ik kijk terug naar de elektriciteitspilaar, diep verstopt in een klein bosje als een verre herinnering aan een andere tijd, een tijd die nu in het verleden ligt maar de grote droom van de toekomst in zich draagt.

Ik ga verder en kom op het centrale plein waar ik even blijf staan. In de schemering zie ik ver voor me een man op mij afkomen. Wanneer hij me nadert merk ik zijn uitzonderlijke verschijning op. De man draagt een T-shirt op kindermaat dat langs weerskanten gescheurd is om toch maar rond zijn volwassen lijf te kunnen passen. Daaronder heeft hij drie broeken over elkaar aan die hij langs de zijkanten open heeft geknipt en die nu het wapperende effect van een cape lijken te hebben. Op zijn hoofd heeft hij een met twijgjes geknutselde kroon die zijn profetische verschijning compleet maakt. Hij komt recht voor me staan terwijl een wonderlijk nachtorkest vanuit het woud opstijgt. Nog voor ik de kans krijg hem te begroeten valt de man op zijn knieën voor mij neer. Smekend begint hij 'mokonzi, mokonzi' te prevelen, wat zoveel als 'heer' in het Lingala betekent. Nog maar net aangekomen weet ik niet in welke hoek van het woud me van schaamte te verstoppen en antwoord ik hem dat ik zijn heer niet ben: 'ee ngai mokonzi té, ngai mokonzi té.'

Verscheidene dorpelingen lijken het bijzondere tafereel in de schemering opgemerkt te hebben en verzamelen zich rond de man en mij. Vanuit het gefluister hoor ik dat de man Nguu blijkt te zijn, of door de dorpelingen ook wel 'le fou' genoemd. Veel mensen begroeten me vriendelijk en lachend, maar met de man knielend voor mij en niet wetend hoe hem te stoppen weet ik niet in welke bocht me te wringen. Daarbovenop lijkt het of mijn blanke huid in het eenzame maanlicht dat is begonnen te schijnen nog harder dan anders lijkt te reflecteren. Hier sta ik dan met mijn wit oplichtende gezicht, het blanke gezicht dat hier lang geleden samen met de elektriciteitspilaar van daarnet diep in de bosjes verdween. Ik bevind me in een grote kring van dorpelingen, met voor me een man die prevelt dat de grote heer gekomen is. In zekere zin zou je het een warme ontvangst kunnen noemen, maar graag had ik me toch een minder heroïsch tafereel voorgesteld om mijn aankomst in het dorp kenbaar te maken.

Ik kijk om me heen en zie dat alle ogen op mij gericht zijn. Voor me ligt een knielende verwilderde man en wat verder zie ik de verlaten elektriciteitspilaar in de bosjes verstopt. De eenzame blanke in de afgelegen brousse en licht, het lijkt zonder dat ik het wil een aanlokkelijk thema. Na Conrads boek Heart of Darkness is het een steeds wederkerend thema, waar ik zelf persoonlijk het liefst vanaf blijf. Maar nu ik hier sta, blinkend in het maanlicht met iets verder de restanten van een ver oplichtend blank verleden en een man voor mijn voeten die mijn komst bijna als de grote wederkeer van licht ontvangt, begin ik er bijna zelf in te geloven. Toch weet ik dat het gevaar bestaat de traditionele levensstijl in de vele dorpjes in het woud tot iets zeer vlaks en donkers te reduceren. Kilometers lang zie je dezelfde strooien hutjes met slapende mannen, en vrouwen monotoon stampend met een grote stok in een pot. Rijke cultuuruitingen kom je zelden tegen, en als het er al een is, is het een vervallen kruis dat ooit in een ver verleden door een pater is neergezet. Maar het is juist dit mysterie, deze verborgenheid die de grote schat van de cultuur hier vormt. Het mysterie dat in de donkerte van de nacht wordt opgeheven wanneer het natuurlijke licht van vuur wordt aangestoken en verhaal en dans rijkelijk vloeien. De ware rijkdom schuilt hier niet in mooi versierde tempels, groots geladen symbolen of beter: een werkende elektriciteitspilaar. De ware rijkdom bevindt zich hier, net zoals het woud dat zijn ware kern diep onder het bladerdek verborgen houdt, levend in de ziel van woord en daad.

Ondertussen merk ik dat Nguu verdwenen is en uiteindelijk ook de kring die zich rond mij gevormd had. Ik sluit mijn ogen en merk de gigantische golf aan geluiden die over het dorp is neergedaald. De nacht is volledig over het woud gevallen en ik besluit terug te keren. Wanneer ik het bosje van de elektriciteitspilaar passeer, zie ik het gat dat ik in het struikgewas heb gemaakt om de pilaar te kunnen zien. Vervuld van schaamte door het tafereel dat me zojuist overkwam schuif ik het bladerdek terug toe en herstel ik de schuilplaats weer in ere. Ik word geconfronteerd met de gedachte dat het flikkerende filmlicht dat ik hier morgen installeer misschien toch niet zo veel verschilt van het licht dat de elektriciteitspilaar hier vroeger bracht. Toch zal ik met een gerust hart verhalen in de donkerte van de nacht laten oplichten, wetende dat mijn flikkerende licht maar een klein vuurvliegje is in de grote zee van licht die me hier reeds omringt.

 

Vertel het verder: