Poëzie bij het Mémorial de la Shoah

'wat ik verloren ben / is onzichtbaar in de naden / in mijn vlees'
Lees/luister/kijk
Schrijfresidentie Parijs
Door Leen Verheyen
© Marianne Hommersom

Leen Verheyen bezocht tijdens de Parijsresidentie in 2013 het Mémorial de la Shoah en liet zich daar insprireren tot het schrijven van een reeks gedichten. Bij deze een selectie, over aan elkaar gepuzzelde bomen, boekmensen en het proberen te lijmen van jezelf. Een reeks poëzie om bij te kunnen herinneren.

Zeichnen gegen das Vergessen

ik heb een tak
van de boom genomen
en het uiteinde geslepen

ik schrijf geen woorden
op de grond
ik schrijf
wat ik niet begrijp

het bos is stil
zelfs de vogels zwijgen
zijn getuige van de tekeningen
die ik maak op de grond

wat ik niet begrijp
heeft geen woorden nodig
maar een taal
die zonder woorden spreekt

 

 

De terugkeer

bij haar terugkeer
had ze slechts brokstukken gevonden

ze ging zitten
haar huid vertaalde zich
nam de vorm van een pantser aan

zich verzetten tegen de beelden
die zich op haar netvlies hadden vastgezet
kon ze slechts door steen te zijn

te vergeten wie ze was
en weer een kind te zijn

 

 

Ik heb de bomen

ik heb de bomen
weer aan elkaar gepuzzeld
spijkers in de stammen geslagen

elk deel van het omgehakte bos
heb ik met mijn eigen handen
een nieuwe plaats toegewezen

in de hoop dat het zou helpen

maar helpen deed het niet

 

 

Mémorial

op de muur staan zesenzeventigduizend namen
niemand weet nog wie die mensen zijn geweest

maar iedereen kent de beelden
waarop te zien is
hoe het eindigt

hoe een mens
geen mens meer is
hoe lichamen liggen gestapeld
als wrakhout

hoe namen eerst werden omcirkeld
en vervolgens
uitgewist

 

 

Geprobeerd mezelf te lijmen

ik heb wanhopig geprobeerd
mezelf te lijmen

legde mijn oren weer te luister
tegen mijn hoofd

verzegelde mijn lippen
onder neus en ogen

leerde mijn voeten weer
mijn lichaam dragen

wat ik verloren ben
is onzichtbaar in de naden
in mijn vlees

 

 

Kreupelhout

deze lichamen zijn slechts kreupelhout
iemand heeft ze slordig gestapeld

straks zal vuur de takken likken
die ooit armen zijn geweest

wat achterblijft zal zijn naam hebben verloren

wat achterblijft
is slechts
kreupelhouten as

 

 

Boekmensen

ik heb mensen gesneden
uit de boeken die me lief zijn

ik heb mensen opgetrokken
uit woorden en uit taal

in de hoop dat ze
zachter zullen zijn

met poëzie in hun aderen
zullen ze niet langer fouten maken
dacht ik

ik dacht verkeerd

maar de boeken die mensen werden
vernietigen
kon ik niet

 

 

Wat ik ben geworden

een deken
een trui
een paar schoenen
een hemd of twee

dat is wat ik heb
en ben geworden

de mensen die me dierbaar waren
zijn verdwenen
en al wat ik heb is dit

wat kledingstukken
warrige gedachten

ooit zal ik weer nieuwe kleren dragen
zal ik een oude man zoeken
en hem vader noemen

zal ik ergens aanbellen
en wanneer men opendoet
zeggen dat ik thuisgekomen ben

 

 

Zou ik

zou ik
mijn ogen
kunnen kleuren
en de wereld
anders zien

 

 

Epiloog

al wat rest is een muur
veel is het niet
maar het is genoeg

meer hebben we niet nodig
dan een herinnering

zo brengen wij de dagen door
gedachten wekken wij tot leven
zo blijven wij
vertellen verhalen
die niemand hoort

fluisteren
laten onze woorden meedragen
door de wind
die langs de muur schuurt

langzaam de stenen wegslijt

maar weten
deze muur zal hier nog zijn
wanneer men ons zal zijn vergeten

 

 

foto Leen © Marianne Hommersom

 

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Leen schreven in Parijs? Klik hier.

 

Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Vertel het verder: