Voorbij de klif. Korte knipsels uit een langdradig in memoriam

'Ergens las ik dat er drie manieren waren om mensen te motiveren: geld, angst en honger.'
Door Frederik Willem Daem op 1 sep 2014
Tekst
Literatuur
Schrijfresidentie Parijs
© Marianne Hommersom

Frederik Willem Daem resideerde in de zomer van 2013 op uitnodiging van deBuren twee weken in het Huis Biermans-Lapôtre. Dit is zijn stuk over Parijs. 'Je suis,' ik zocht mijn woorden, 'champion de ping pong.'  'Sérieux?' 'En Belgique,' vulde ik aan. Hij deed een stapje achteruit en bekeek me van kop tot teen. Ik knikte.

De eerste woorden
die ik in Parijs probeer te verstaan zijn die van een makelaar in een te klein, krijtstreep pak. Hij zucht terwijl hij de uitputting van zes verdiepingen aan trappen probeert te verbergen. Als ik hem goed begrijp kunnen we dit negentien vierkante meter grote kansje niet laten liggen. We mogen ons zeer gelukkig prijzen dat wij de eersten zijn – anders was het weg, clair.
Jozefien prijst zich zeer gelukkig.

 

‘Voelt ge het ook?’ vraagt ze terwijl ze door de chambre de bonne huppelt en halt houdt bij het ronde raam.
‘Fre! Ge kunt de Eiffeltoren zien van hier.’
Ze maakt kleine sprongetjes, als een kindje in de kerstspecial van een Amerikaanse sitcom. Ik heb nog nooit gewoond in een keuken die ook een slaap-, woon- en badkamer is.
Uit het raam staat inderdaad iets dat op de Eiffeltoren lijkt. De sleutelhangers die de zwarten ter plekke verkopen, zijn groter.

 

© Frederik Willem Daem

 

 

Ik weet waar ik moet zijn
maar ik weet niet meer van waar ik kwam. Parijs blijft voor mij die vriend van een vriend bij wie ik mijn best doe hem geen deel van mijn leven uit te laten maken.
We zijn hier nu twee weken. Ik had geweigerd het een nieuw begin te noemen. Het was een halte, een noodgedwongen overstap die de inzittenden alsnog de eindbestemming liet bereiken.
Op de gevel van een Chinees restaurant dat zijn snelle levertijd benadrukt, lees ik dat ik uit de Rue du Sentier kom en op de Boulevard Poissonnière ben.
Ik pruts het toiletpapier uit mijn oorschelpen. Bij elk stukje dat ik los krab suist de wereld harder. Mijn portefeuille en gsm zitten nog in Jozefiens tas. Ik sla rechtsaf. Op de volgende hoek stapt een man uit een gedeukte auto. Hij wankelt wat tegen het portier.
‘Je prendrais un taxi si j’étais toi,’ antwoordt hij met hese stem wanneer ik hem naar de dichtstbijzijnde metrohalte vraag. Hij bekijkt mijn natte blazer. Het enige wat ik bezit, zijn de klamme kleren die ik aanheb en wat kleingeld.
‘Par où?’ vraag ik opnieuw.
‘Il est trois heures du matin. Les métros ne roulent plus.’
‘La tour Eiffel alors?’
Hij wijst in de richting waar ik vandaan kom. Een uur, als ik weet hoe ik moet lopen.
‘Merci.’
Wanneer ik me heb omgedraaid, hoor ik hem spugen in het portiek van Le Grand Rex, waar een affiche hangt voor een film die zowel Fanny als Marius heet en een voor mij onbekende cast heeft. World War Z draait er ook. Iemand zei mij ooit dat ze steeds dezelfde acteurs vragen voor het dubben. Ik vraag me af of die stemartiest in het echte leven vaak het compliment krijgt dat hij als Brad Pitt klinkt. Of zijn Fransen niet zo dom?
Ik wandel tot metrohalte Grands Boulevards. Zo ben ik gekomen. Een dranghek verspert me de toegang tot de tunnel. Die kaart bij elke halte gaat mijn redding zijn. Als ik via de lijnen navigeer, geraak ik thuis.

 

Verder is er niemand
Af en toe een zonderling. In de inham van een gebouw sukkelt een man met het cijferslot. Hij duwt vier getallen in en zet zijn schouders tegen de poort. Niets. Elke stap die mij dichter bij hem brengt, maakt hem zenuwachtiger. Zelfs de zachtaardigsten onder ons stralen op dit uur van de nacht gevaar uit.
Als de deur achter je in het slot valt en je het resultaat van je vermogen tot inrichten ziet, ben je thuis. Achter deze imposante gevels wacht de ene deur de andere op, voorbij een binnenkoer en een te steile spiraaltrap biedt een klink toegang tot een achterkamertje waar plaatsgebrek de overhand heeft. Wij: de verborgenen. Ik besef dat mijn huisdeur nog steeds 300 kilometer noordelijker in het slot valt.
In Brussel had Jozefien gezegd dat er weinig overbleef. Ik voelde het in haar worsteling met de woorden ik, u en ook nadat ik de woorden ‘Ik zie u graag’ uitgesproken had. Misschien kun je ze maar een beperkt aantal keer gebruiken. Het vat is af, de vaten op. Ten einde raad had ik de 527 nachten overlopen die deze voorafgegaan waren. Nachten waarin ze haar liefde had betuigd met nagels in mijn rug, trekjes aan mijn baard of beten in mijn linkerbovenarm en ze de woorden niet sprak maar ademde. Was het de routine geweest? Mijn verzuimen van huishoudelijke taken? Was het structureren van ons seksleven het eerste teken van verval geweest? Nu wel want het was gisteren niet en eergisteren ook al niet. Ik had meer moeten beffen. Dat is het laatste waar ze nu zin in had, had ze gezegd.
In de hoop niet verder te verliezen wat reeds verloren was, gaf ik toe aan wat nooit van mij verwacht zou worden. De dag nadien raapten we de belangrijkste spullen bij elkaar en vertrokken zonder aarzeling naar Parijs. Het was schaak zetten zonder te beseffen dat ik mezelf mat had gezet.

 

Op de tweesprong
waar de boulevard Montmartre overgaat in de Boulevard Haussmann of Des Italiens ben ik sneller dan verwacht de weg kwijt. Ik leefde mijn leven naar een kompas waarbij zij het noorden bepaalde. De andere windrichtingen: letters in een alfabet van ruis. De overtuigde onverschilligheid en het verwijt dat ik haar compulsieve drang miste om iets, hoe klein dan ook, voor de volgenden achter te laten, waren voor mij verwaarloosbare bijverschijnselen. In Parijs gold dit nog sterker dan thuis. We waren hier nog niet ingetrokken of ze was al aan een speurtocht naar een beschikbare stageplaats begonnen. Ik sliep wanneer zij lunchte. In Brussel had ze er drie maanden over gedaan om een architectenbureau te vinden dat aan haar voorwaarden voldeed. Hier was de eerste architect die haar stagedocumenten had willen invullen geschikt. De vruchten zouden later afgeworpen worden.

 

VOUS ÊTES ICI. Ik ben een verloren rode stip. Als ik naar Gare du Nord wil, moet ik hier rechtsaf.

 

Geen pizzeria te bespeuren
in de Boulevard des Italiens. De brede laan ziet er niet Italiaanser uit dan de boulevards die ik net doorliep. Een winkel die in Prada-afdankertjes doet, meer is er niet te merken van Romeinse nazaten. De honger laat me de koude een ogenblik lang vergeten.
Op een plaque lees ik dat dit de straat is waar Georges Méliès in 1896 één van zijn eerste stille films opnam. Een jaar eerder was de goochelaar iets verderop getuige geweest van de eerste filmvertoning van de gebroeders Lumière. Ik onthoud het: Boulevard des Capucines 14.
Parijs is inderdaad best indrukwekkend als je buitenkomt, verder wandelt dan van de voordeur naar de Monoprix om beleg – zij doet de grote inkopen. Wanneer ze opstond vroeg ik haar het licht weer uit te doen. Dagindelingen waren vage herinneringen. Ik vulde uren, geen dagen, kijkend naar de wereld door een raam van 13 inch. Junkies uit Praag die hun tenten hadden opgeslagen in naburige papavervelden. Minutieus maakten ze opium van de bollen van klaprozen en spoten zorgeloos morfine door hun aderen. Ik benaderde mijn record op GeoGuessr. Beland op een zandweg, te midden van nergens, omringd door rotsen, prikkeldraad en struikgewas. Ik had drie kwartier geklikt voor ik in een gehucht dicht bij Port Augusta in Zuid-Australië aankwam. Ik gokte nabij Adelaide. Dat had me 2673 punten opgeleverd.
Ergens las ik dat er drie manieren waren om mensen te motiveren: geld, angst en honger. Waar ik dat gelezen had, herinnerde ik mij niet meer. Met wie ik het moest delen ook niet.
De onverschilligheid eindigt hier. Ik lees alle bordjes die mijn pad kruisen.
Ik kom alsnog een, gesloten, pizzeria tegen. Na de vierde pizza stop ik met lezen.

 

Enkel het gekir van duiven
is iets dat op deze excursie ontbreekt. Ik heb het geluid onlosmakelijk verbonden met Parijs. In Brussel heb ik het nooit zo op prijs gesteld als hier.
Sinds twee mannen het dak kwamen herstellen – het lekte bij de buren - settelden twee duiven zich tussen het plafond en het geraamte van ons onderkomen.
‘Ik denk dat ze een nest gemaakt hebben,’ zei ik tegen Jozefien, toen ze onder de douche vandaan kwam, ‘van isolatiemateriaal of staalwol ofzo.’
‘Staalwol bestaat niet. Als er al iets van isolatie in zit, zal het glas- of steenwol zijn.’
Ze goot de inhoud van haar ene handtas over in de andere.
‘Luister. Hoort ge ze?’ Ze staarde naar het plafond. Ik hield mijn linkerwijsvinger voor mijn mond.
‘Waar is mijn gsm?’ vroeg ze. ‘Zijt effe stil. Ik hoor ze.’
‘Kunt ge mij gewoon even bellen zodat ik weet waar hij ligt.’ Ik wees naar de muur.
‘De duiven,’ glimlachte ik.
Ze kwam naast me zitten en pakte me bij de armen.
‘Ik hoor geen duiven, Fre.’
Ik pakte haar op mijn beurt vast. Te hard, zag ik aan de manier waarop ze haar ogen fijn kneep.
‘Luister.’
‘Zoetje,’ zei ze, ‘wanneer is de laatste keer dat ge buiten zijt gekomen?’
Ik duwde haar van me af. Ze was te laat. Sinds een week vertrok ze elke dag naar haar verder niet noemenswaardig bureau om interieurplannen te tekenen en kritiek te aanvaarden. Eén van de vennoten liep haar steevast zonder begroeting voorbij en haar collega’s lachten om haar uitspraak, maar de puzzel paste perfect, enkel en alleen omdat hij in Parijs gelegd werd.

 

Op de Place de l’Opéra
zie ik dat het verkeer opnieuw op gang komt. Hoe laat het is, weet ik niet. Ik ben bijna bij halte Madeleine. Daar moet ik naar links de Seine over. Hotel Scribe, waar een naamplaatje ter ere van de gebroeders Lumière hangt, ligt achter mij. Het spook van de opera ook. De nacht gaat over in schemer die op zijn beurt een nieuwe dag inleidt waarvan de vorige, voor mij, nog moet eindigen.
Ik ben halverwege wanneer ik me neerzet op het terras dat uitkijkt op een grote kerk die eruitziet als een Griekse tempel. Mannen in pak drinken een espresso. Ze zijn gedoucht en geschoren, pakken hun aktetas stevig vast en verdwijnen als ratten in de tunnels van de metro. Op het kruis van een apotheek zie ik dat het 5u38 en zeven graden is.
‘Vous désirez quelque chose?’ vraagt een opdienster met kleine oogjes.
‘Est-ce que vous avez un bic?’ Is het un of une, vraag ik me af.
Ze reikt mij haar stylo aan.
‘Expresso s’il vous plaît, double.’ Ik kijk op de kaart om te zien of ik toekom.
‘Double expresso.’ Ze zet het dienblad op tafel.
In mijn broekzak vind ik één van de bolletjes toiletpapier uit de Social Club.

 

Voor het eerst in lange tijd
gingen we samen nog iets doen.
‘Wat is Social Club?’ vroeg ik.
‘Dé place to be,’ legde ze uit.
Het was de discotheek waar ze heen wilde omdat haar collega’s ook gingen.
‘We kunnen de acht of de negen pakken,’ zei ze toen we de smalle spiraaltrap naar beneden namen. Een verdieping lager deed ze haar hakken uit. Het was te koud voor blote benen, maar ze zag er goed uit. De jurk, zwart en blinkend, had iets leerachtigs zonder leer te zijn. Van stoffen weet ik weinig.
‘Ik ruik je Azarro.’ Het was een parfum die ik ooit van haar moeder had gekregen. Ze zei die zin elke keer als ik hem opspoot.
‘Wil je naar École Militaire en overstappen, of direct naar Iéna?’ riep ze naar beneden.
‘Het kortste!’
Ze maakte de som luidop. In de met marmer versierde inkomhal wachtte ik haar op. Ik probeerde de vlekken van de spiegel te wrijven terwijl ik mijn haar goed legde. Er was rekening gehouden met elk detail, maar aan een versleten spiegel viel weinig te doen. Dit is Parijs, dacht ik, waar de kruimels en de huisstofmijt door de schoonmaakster onder het tapijt geveegd worden. Ze schoof haar voeten in de hakken.
‘We pakken de acht wel,’ besliste ik en sloot de grote glazen poort achter ons.
Het was te koud om te wandelen.

 

Zolang ik inboette
zou de situatie zich herstellen. Toegevingen redden relaties, goeie seks ook. Voorlopig moest ik het van toegevingen hebben.
‘Grands Boulevards,’ herhaalde een stem in de metro. Buiten dronken mensen wijn alsof ze dat elke avond deden. Ze wisten wat ze bestelden wanneer ze om Merlot vroegen. Er lag een dakloze naast de bistro. Rond hem stonden twee sociaal werkers. Eén van hen scheen met een zaklamp in zijn ogen. Ze stelden hem vragen die ik niet kon verstaan. Hij ook niet, vermoedde ik. De andere sociaal werker pakte de spullen van de schooier bijeen en legde ze in het Decathlon-tentje dat ze hadden laten openspringen. Ze stoorden zich niet aan zijn geur en aan zijn onverstaanbare onwil hulp te aanvaarden. De routine had zich meester gemaakt van de beproeving. ‘Parijs is best indrukwekkend als je buitenkomt,’ probeerde ze me te overtuigen.
Er stond een rij tot om de hoek. Terwijl we wachtten, praatte Jozefien over het eerste project dat ze mocht opvolgen. Ik luisterde naar een opsomming van materialen die gebruikt konden worden voor een kinderdagverblijf. De blonde jongen voor mij, ik schatte hem een jaar of twintig, greep veel naar zijn neus. Ik wou dat ik rookte.
Binnen was alles donker, de muren zwart. De blonde jongen werd geweigerd aan de ingang. Kostprijs voor een avondje sociaal clubben: vijftien euro. ‘Dat zijn de gangbare prijzen hier,’ zei Jozefien. Dat vond ik geen excuus, maar ik betaalde voor ons beiden. De ticketjes moesten we twee meter verder aan een buitenwipper geven.
‘Dehors est définitif,’ zei hij. Wij knikten.
Op gehoor schuifelden we naar de muziek, mijn hand op haar heup. Aan het plafond hingen verlichte kubussen die van kleur veranderden en rechts van ons stonden zeteltjes waar mensen cocktails dronken. Ze hadden glinsters op hun gezicht en schreeuwden omdat ze anders niet gehoord werden. Boven hen, in neonletters: ‘IL FAIT TOUJOURS NUIT, SINON ON N’AURAIT PAS BESOIN DE LUMIÈRE.’ Het bleek een quote van Thélonious Monk te zijn.
‘Ik wist niet dat Thelonious Frans sprak,’ riep ik naar Jozefien.
‘Ik denk ook niet dat Thelonious met accent aigu geschreven wordt,’ schreeuwde ze terug.
‘Schrijven ze mijn naam hier ook met -que?’ Ik spelde de drie laatste letters.
‘Waarschijnlijk,’ lachte ze.
Het moment was een lichtpuntje in een situatie die wat duisternis betreft niet onderdeed voor degene waar we toen, ietwat geforceerd, in dansten. Niet veel later zag ze haar collega’s.

 

Af en toe kruipt er iemand uit of in de voetgangerstunnel. Voor de stormloop is het wachten tot toeristen hun continentaal ontbijt hebben gehad. Mijn espresso is lauw geworden en mijn voeten kouder. Ik sta op. De zeven eurocent mag ze houden, de stylo neem ik mee.

 

Is alles onder controle
vroegen de buren aan de dakwerkers. Ik hoorde hen door de muren heen terwijl ik door de sneeuw klikte. Een metalen vuilniscontainer en een handvol naaldbomen.
Vanuit het ronde raam zag ik dat het gat gedicht was. De duiven hadden hun eieren uitgebroed. Onder het dak zaten nu enkele kuikens die wachtten op hun sterven. Overdag piepten ze. Soms hoorde ik ze met hun vleugels slaan. Ze probeerden te vliegen. Op zoek naar wat lichtstralen, een losse dakpan, motregen.

 

Met de ogen toe
wandel ik in de richting van de Seine. Niet omdat ik de weg ken, maar omdat ik ze niet meer kan openhouden. In de verte priemt een steen de lucht in. Hoe meer ik mijn ogen sluit, hoe harder het suist.
In de club leek ik de enige te zijn die last had van het volume. Op de toiletten stak ik mijn oren vol met wc-papier. Dat moest verdwijnen toen ik de collega’s ontmoette.
Met papier in de schelpen stond ik naast een te kleine rokersruimte waar Jozefien plots de gewoonte had opgepikt te roken, enkel en alleen omdat het haar werd aangeboden. Het was een statement, daar op elkaar gedrumd te staan, omringd door tweedehands rook.
‘Tu fais quoi dans la vie?’ probeerde één van haar collega’s een gesprek aan te knopen. Hij droeg geen sokken.
‘Je mens.’ ‘Quoi?’
‘Je suis,’ ik zocht mijn woorden, ‘champion de ping pong.’
‘Sérieux?’ ‘En Belgique,’ vulde ik aan. Hij deed een stapje achteruit en bekeek me van kop tot teen. Ik knikte.
‘Tu ne m’as jamais dit ça.’ De collega keek naar Jozefien die buitenkwam. Ze had rode ogen, maar was nog altijd aantrekkelijk. Zo lang ze er zo bleef uitzien zou zij moeten weggaan. Mij zou het nooit lukken.
‘Qu’est-ce qui se passe?’ vroeg ze kuchend. Grappen verliezen veel aan waarde eens aan het licht komt dat ze leugens zijn. Mijn slachtoffer leek niet meer onder de indruk te zijn en deed het verhaal tegen de medewerkers. Vanop een afstand sloegen ze onze onenigheid gade.
‘Stop met u aan te stellen alstublieft.’ Ik tekende dat de muziek te luid stond.
‘Ge hebt mij verstaan. Ik moet werken met die mensen.’
‘Gij wou mij hier bij. Draag er dan de gevolgen van.’
Ik legde mijn hand ostentatief op haar borst omdat ik vond dat het kon.
Het einde drong zich de dansvloer op, begeleid door het ritme van de stroboscoop. Het felle licht van een imploderende ster. De stralen schijnen nog. Niemand is zich van zijn vergaan bewust. Daarna, uit het niets: duisternis. Ik liet de tiet los. Collega’s fluisterden. Jozefiens arm kwam omhoog. De spieren in haar gezicht spanden op. Halverwege wilde ze de beweging afbreken. Ik wist wat mij te wachten stond. Het was die ene stoot die het uitstel van het orgasme onherroepelijk had gemaakt. De gin aangelengd met tonic, ijsblokjes en een schijfje komkommer ter waarde van tien euro had de beker verlaten. Mensen keken gechoqueerd naar elkaar, sommigen lachten. Ik lachte ook, wat kon ik anders? De cocktail drupte van mijn kin in mijn hals, op mijn blazer. Ik blies de restjes tonic uit mijn snor en haalde de komkommer nonchalant van mijn schouder. Ik weet niet of ze mij achterna kwam, of ze iets riep, hoe ze keek. Verwijde pupillen van de feestgangers volgden me.
‘Dehors est définitif,’ zei de buitenwipper.
‘J’en ai rien à foutre.’ Zoveel Frans kon ik wel.

 

© Frederik Willem Daem

 

 

De weg uitgestippeld
bocht per bocht. De zoveelste tempel. Een tegengewicht voor de vorige, toeristen van de Parijservaring voorzien als bestaansreden. Ik steek over bij een gebouw dat door een politieagent bewaakt wordt. Ook voor hem is het vroeg. Door de bomen ontluikt de Eiffeltoren.
Aan Invalides ga ik naar links. Een Japanse bruid en bruidegom nemen foto’s met het architectonisch meesterwerk op de achtergrond. Het lijkt alsof Parijs alleen van hen is. Dat is over een uur misschien niet meer zo. Uit het niets trekt hij haar been de lucht in. Ze lijkt niet gesteld op spontaniteit. De fotograaf klikt.

 

Ik weet waar ik moet zijn.
3-7-2-3. Het slot zoemt. Ik duw de poort open door er frontaal tegen te leunen. In de hal doe ik mijn schoenen uit. Moeizaam gaan mijn tenen op en neer.
De deur kraakt als ik binnenkom. Ik kleed me voorzichtig uit. Ik beef, besef ik nu pas. Als ik naast haar ga liggen, verschiet ze. Mijn lichaam is nog niet op temperatuur gekomen. Ik leg me met mijn rug naar haar.
‘Wat gaat er gebeuren met ons?’
‘Niets,’ zeg ik, ‘We gaan slapen. Morgen staan we op.’
‘Het is morgen.'
Ik word wakker als ze de deur uitgaat. In de gang hoor ik haar ademen. Ze huilt omdat ze weet dat ik een zwak voor tranen heb, maar ze vergeet dat ik er immuun voor ben zolang ik ze niet zie. Op de weg naar het werk – het is niet uitzonderlijk dat ze op zaterdag zou moeten werken, had ze gewaarschuwd – zal ze rode wangen hebben en de blikken in de metro ontwijken. Als ze toekomt op het architectenbureau zal ze eerst naar de wc lopen om zich op te frissen. Ze zal zichzelf moed inspreken in de spiegel, een glimlach opzetten en iedereen vriendelijk goedemorgen wensen. Ergens tegen vanavond word ik wakker. De zon is weg. Zo ook het gekir van de duiven.

 

Voorbij de klif
gaat het snel bergaf. De puntige rotsen doen dienst als golfbrekers. Ze hebben niet veel werk. De storm is voorbij, de ravage aangericht. Hier en daar loopt nog een krab. Wat overblijft zijn scherven van een lamp die gelijmd kan worden maar nooit meer zal branden.
In de dakgoot staat een bodempje regenwater. Ze kraakt onder mijn gewicht, maar ik weet dat ze mij kan dragen. De werkmannen waren twee keer zo breed als ik. Voorzichtig schuif ik de ene knie voor de andere. ‘It’s a long way down,’ zeg ik in een zuiders accent tegen mezelf wanneer ik naar beneden kijk. Ik maak de som. Van het dak tot de binnenkoer, zes verdiepingen, ruimtes van minstens tweeënhalve meter hoog, vloeren van een halve meter dik. Om de paar knieën leg ik mijn hoofd tegen het dak. Het is koud aan mijn oor. Ik hoor de buren praten.
‘Fre!’ roepen ze.
Opnieuw hoor ik mijn naam. Ze klinken herkenbaar. Drie knieën. Ik leg mijn oor tegen het dak.
‘Frederik Willem Daem, alstublieft,’ smeken ze.
‘Ja?’ fluister ik tegen het dak.
‘Please kom terug.’
Achter mij hangt Jozefien, haar bovenlichaam uit het ronde raam. Ik weet niet wat vreemder oogt: een vrouw in tranen die over de daken schreeuwt, of ik, een man die in ondergoed tegen dakpannen fluistert.
‘Waarom weent ge?’
‘Kom hier.’
‘Maar ze zijn stil!’
Ik leg mijn oor op het dak en klop twee keer. Het klinkt hol. Waar de mannen het dak gerepareerd hebben, zijn de dakleien vervangen door een zinken plaat. Ik draai mij naar Jozefien.
‘Gisteren waren ze er nog.’
Ik probeer mijn vingertoppen achter de leistenen te krijgen. Met een beetje geluk wring ik mijn duim tussen plaat en steen. Van één vinger maak ik er twee. Mijn enthousiasme wordt ingetoomd wanneer ik de derde vinger openhaal. Waar weet ik niet, maar ik voel het bloed op mijn palm druppen. Met een hand als hefboom wrik ik rustig één dakpan los. Ik heb tijd. Hoogmoed leidt tot nalatigheid, besef ik. De gevolgen daarvan ondervind je best niet op een richel. Achter me blijft Jozefien als een mantra mijn naam schreeuwen. Het loskrijgen van de tweede dakpan verloopt vlotter. Na vier krijg ik mijn schouders door het gat. Met de hulp van een panlat klim ik naar binnen, ik proef stof. De opening verlicht de ruimte.
In het geraamte van de chambres de bonne wacht ik, gehurkt tegen een balk, op Jozefien. De herinrichting van ons leven begint hier. Een kribbe hebben we al. De lijkjes moffelen we wel onder het tapijt.

 

 

Illustraties © Frederik Willem Daem

Dit artikel ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre. Dit stuk verscheen eerder in literair tijdschrift Das Magazin.

 

Meer weten over het residentieproject van deBuren? Klik hier.
Benieuwd wat de medereizigers van Frederik schreven in Parijs? Klik hier.

Vertel het verder: