De waarheidscommissie

Rebekka de Wit schreef naar aanleiding van de heropening van deBuren een goede raad. Ze vertelt over een brief die ze schreef aan de overheid en over de houdbaarheidsdatum van de beloftes van Obama. De Wit speelt zaterdag en zondag in Antwerpen haar eerste grote solovoorstelling. Voor zondag zijn er nog kaarten verkrijgbaar.
Door Rebekka de Wit op 26 nov 2013
Tekst
Cultuurbeleid
Literatuur

Rebekka de Wit schreef naar aanleiding van de heropening van deBuren een goede raad. Ze vertelt over een brief die ze schreef aan de overheid en over de houdbaarheidsdatum van de beloftes van Obama. De Wit speelt zaterdag en zondag in Antwerpen haar eerste grote solovoorstelling. Voor zondag zijn er nog kaarten verkrijgbaar.



Hou je woord. Die raad was in mintgroen op een witte muur geschilderd, samen met vijftien andere wijsheden. Het herinnerde me aan de brief die ik ooit aan de overheid heb geschreven, nadat een man uit Texas zei dat hij democratie over de wereld wilde verspreiden.

In mijn brief stond dat er een commissie moest komen, een waarheidscommissie die oorkondes uitdeelt met woorden erop. Iemand zegt bijvoorbeeld op een gouden balkon dat hij er alles aan zal doen. De commissie gaat erop af en ziet dat hij er alleen woensdagmiddag iets aan heeft gedaan en dat is niet alles. De commissie schrijft dat hij voortaan niet meer het woord ‘alles' mag gebruiken, maar wel het woord ‘woensdagmiddag'. Hierbij de oorkonde. Die oorkonde heb je niet voor eeuwig, je kunt hem verliezen. ‘Veel mensen zijn niet in staat hun woorden te houden,' schreef ik. ‘En dat weten jullie beter dan ik.'

Ik kreeg brief terug van de overheid, waarin stond dat ze mijn brief op het prikbord hadden geplakt en in de envelop zaten kleurpotloden waar ik een mooie tekening mee kon maken. Ik schreef terug dat ik vijfentwintig was en dat ik het meende. Dat ik bovendien meende dat ze die kleurpotloden beter hadden kunnen houden, omdat ik niet degene was met het gebrek aan fantasie en dat ze dat daar zo hard nodig hadden.

‘Waar het om gaat,' schreef ik, ‘is dat je aan het einde van de dag, van je carrière, van je leven niet veel anders hebt dan woorden om bruggen te slaan naar de buitenwereld, naar de ander. Als je niet je uiterste best doet om je woord te voorzien van een klein stukje grond, sla je die bruggen tussen jezelf en de ander, tussen jezelf en het volk kapot.' Op die brief kreeg ik niks terug. Daar hadden ze misschien geen adequaat speelgoed voor.

In De Grote Transformatie schrijft Karen Armstrong: ‘De Ariërs namen het gesproken woord heel serieus. Net als alle andere fenomenen was de spraak een god, een deva. De Arische godsdienst is niet erg visueel. Voor zover we weten maakten de Ariërs geen afbeeldingen van hun goden. In plaats daarvan meenden ze dat luisteren hen dichtbij het gewijde bracht. Afgezien van de betekenis was ook het geluid van een gezang heilig. Op dezelfde manier was een gelofte, zodra zij was afgelegd eeuwig bindend en was een leugen een absoluut kwaad, een aantasting van de heilige kracht van het gesproken woord.'

Op de muur met mintgroene wijsheden zitten twee duiven te slapen. De zon staat recht bovenaan de hemel en het ruikt naar komkommertijd. Ik stel me de hele wereld voor met de ogen dicht, liggend op een opblaaskrokodil. Ook Obama. En vraag me af waarom het niet altijd komkommertijd kan zijn. En wat er met Obama moet gebeuren als er echt zo'n waarheidscommissie komt. Hij zou misschien geen speeches meer mogen houden. De duiven schrikken op, alsof iemand iets ondenkbaars heeft gedacht.

Ik knik. Het is inderdaad ondenkbaar dat Obama niet meer zou mogen spreken, niemand meer tot tranen toe mag bewegen. Natuurlijk moet hij dat doen. Hij heeft de hele natie hoop gegeven. En dat iemand die een familielid aan Guantanamo Bay heeft verloren, zijn yes we can-t-shirt misschien in de prullenbak moet gooien, is een kleinigheidje. En dat zijn buurman straks z'n tranen van hoop uit hetzelfde t-shirt wringt en ze terug in zijn ogen probeert te stoppen, omdat het tranen waren die hij liever had gelaten voor iets wat echt is, dat is niet erg. Net zomin als het erg is dat bijna iedereen direct na de waterige ogen van ontroering, zich afvraagt of het echt is waardoor ze zojuist ontroerd werden. De wereld is al een tijdje een plek waarin elke poging van iemand die oprecht iets probeert te zeggen, wordt weg geklikt als een leugenachtige pop-up. En als we niet wegklikken, zoals bij een speech van Obama, wachten we tot het moment waarop een stem zegt: ‘Sommige dingen zijn onbetaalbaar. Voor de rest is er MasterCard.' Erg is dat allemaal niet. De commissie zou zeggen dat het hartverscheurend is, maar de commissie is dan ook onmogelijk.

Ik vraag me af wat er zou gebeuren als Obama gewoon zwijgt voor de radiomicrofoon of voor de camera, omdat hij zijn woorden de afgelopen jaren is verloren. En dat wij dan aan de andere kant van het glas ook zwijgen, omdat ons hetzelfde is overkomen. Dan lijkt het alsof we elkaar in de ogen kijken. In die stilte zouden we allebei kunnen nadenken over een nieuwe taal. Of we kunnen bidden voor de goede afloop. Voor de wijsheid op de muur en voor de duiven erbovenop.

 

Rebekka de Wit (1985) is theatermaker en schrijver. Voor deBuren ging ze naar Venetië om een citybook te schrijven en naar Wenen en Parijs om een theatervoorstelling te schrijven. Met steun van deBuren organiseert ze samen met Maud Vanhauwaert en Freek Vielen literaire vaudevilleshows onder de titel Opkras kuit. In het najaar van 2013 gaf zij samen met Freek Vielen een lezing naar aanleiding van 'Romeo en Julia' in HETPALEIS. Beluister de podcast.

Vertel het verder: