hard//hoofd: Dertig is doomsday

Hard//hoofd is een dagelijks online tijdschrift met scheppende kunst en beschouwende journalistiek in de vorm van tekst, beeld en geluid. Elke week plaatsen wij hun beste teksten op onze site. Deze week Joyce De Badts over eindexamens piano in roze ballettutu, vroedvrouwen en theater voor kansarmen.
Door Joyce De Badts op 2 jul 2013
Tekst
Literatuur

Hard//hoofd is een dagelijks online tijdschrift met scheppende kunst en beschouwende journalistiek in de vorm van tekst, beeld en geluid. Elke week plaatsen wij hun beste teksten op onze site. Deze week Joyce De Badts over eindexamens piano in roze ballettutu, vroedvrouwen en theater voor kansarmen.


Als dertienjarige legde ik het eindexamen piano van de muziekacademie af in een roze ballettutu. Een idee van de juf, dat verkleden. De keuze voor het balletpakje kwam van mij: ik had vijf jaar klassiek ballet gedaan, dat pakje had ik toch al in de kast liggen. Op een foto uit die periode zie je een groep meisjes op het podium hun handen naar beneden richten. Behalve ik, die ze in de lucht steekt, een halve tel te laat in de choreografie.

Ook in de pianoles, waar ik me net zoals het ballet gedurende vijf jaar iedere week naartoe sleepte, was ik niet bepaald een uitblinker. 'Jaws', zo sprak de pianojuf mijn naam uit, 'Jaws, waarin ga jij je verkleden voor het eindexamen?' De bandjes van de roze tutu sneden in mijn schouders. Ik was dertien en stond als versgedraaide boterhamworst op een podium. De oudste van de groep op het laagste niveau. Het makkelijkste menuet van Bach. Het eerste okselhaar. De laatste keer dat ik een piano aanraakte.

Vier jaar geleden was ik 28. De leeftijd waarop veel mensen het stadium van aan de weg timmeren zo goed als ontgroeid zijn. Ik deed administratief werk op een stoffig kantoor van een milieuorganisatie. Tegenover mij zat een collega die haar opgebruikte theezakjes opstapelde aan de voet van de sanseveria op ons bureau. Ooit zou er compost van komen, beloofde ze. Terwijl ik keek naar de pluisjes die door het zonlicht dwarrelden, besefte ik dat dit niet de carrière was die ik voor ogen had gehad. Ik had er nooit echt een voor ogen gehad, maar deze was het niet. Als ik mijn leven wilde omgooien, dan moest het nu gebeuren. Voor m’n dertigste. Dertig is doomsday. Dertig is deadline. Dertig is bijna dood.

Een stiel leren, dat kon mijn redding zijn. Ik overliep mijn opties, en na boekbinden, documentairemaken en biolandbouw te overwegen, besloot ik dat ik verloskundige wilde worden. Vroedvrouwen waren in mijn ogen praktisch en zelfzeker. Vrouwen die te allen tijde koelbloedig bleven. 'Wat doe jij?', 'Ik ben vroedvrouw.' Bam! Ik dacht: je kunt alles leren.


Beeld: Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen in Rotterdam, 1914. Nationaal Archief/Spaarnestad Photo

Vroedkunde, meer dan borstvoeding

Rond diezelfde tijd stuurde ik sms’jes heen en weer met Vogel, een danser die ik via Facebook had leren kennen. Ik dacht na over hoeveel minuten er minstens moesten verstrijken tussen zijn bericht en mijn antwoord. Hij was aan het repeteren in Leipzig met een beroemd dansgezelschap. Ik probeerde te berekenen hoe frequent je kunt sms’en als je het druk hebt. Aan het begin van de herfst kwam hij terug. De inschrijvingen voor het academiejaar waren net geopend en ik schoof bij in de rij tussen meisjes die gemiddeld tien jaar jonger waren dan ik. Vogel dacht dat een vroedvrouw hetzelfde was als een onthaalmoeder, waar ik hard mee lachte. De wereld van de vroedkunde was meer dan baby’s en borstvoeding, legde ik uit, ik kon bijvoorbeeld ook hulpverlener worden bij Artsen zonder Grenzen. Het is een erg nuttig beroep, zei ik, en ik hoopte dat hij zou inzien dat dansen dat niet was. Dat ik geen vroedvrouw werd uit onmacht tot iets beters of hogers, maar uit oprecht idealisme. Af en toe dook hij op en verdween dan weer. De nachten waarop hij bleef, klampte ik me vast aan de rand van het bed. Het bed leek metershoog en helde opzij. Ik zou eraf rollen en te pletter storten.

Een Brussels theatergezelschap had subsidies gekregen om kansarmen en migranten te laten participeren in theater. Tenminste, dat was de officieuze doelgroep, op papier was ‘iedereen onder de dertig meer dan welkom’. Ik meldde me aan zonder het Vogel te vertellen. Het podium werd bevolkt door mooie jonge mensen en nog wat pummels van mijn leeftijd. Tijdens het eerste groepswerk moesten we werken rond ‘onze generatie’. We zouden een dansimpressie maken. Ik wist niet wat ik wilde vertellen over mijn generatie, maar ik wierp me op de grond, bewoog me sidderend voort en brulde. Ik vond dat het publiek mocht beoordelen welk onrecht ik uitschreeuwde. De regisseur knikte en dacht misschien aan zijn subsidies. 'Hier kunnen vast iets mee doen', zei hij. 'Het is… een begin.'

In november viel de eerste sneeuw. Een maand later verdween Vogel uit mijn leven. Ik dacht lang na over sms’jes die ik uiteindelijk niet stuurde. Ik deed examens, repeteerde voor het theaterstuk en verder was er niets dan kerst. In januari bleek dat ik geslaagd was voor de theoretische vroedkundevakken. Bij het theaterproject waren de mooie jonge mensen inmiddels afgehaakt, het groepje dat overbleef was precies de doelgroep waar subsidies voor bedoeld zijn, en waar ik nooit meewarig over zou doen als ik er nu zelf niet tussen stond. In februari dacht iedereen dat het lente was omdat de zon te veel scheen voor de tijd van het jaar. Ik zaaide gras waarvan de kiemen later kapotvroren en stopte bloembollen in de grond.

Een witte boterham en cola

Begin maart ging ik op stage in het ziekenhuis. Het was hondsvroeg en ik kwam met een lege maag op de afdeling verloskunde aan. In het enorme witte broekpak dat we van school hadden gekregen, meldde ik me bij de balie. Ik zag een vlek op mijn broek; op een feest de week ervoor had ik het pak gebruikt om me te verkleden in wie ik binnenkort zou worden.

De hoofdverpleegster duwde me in een piepklein kamertje waar het veertig graden was. Ik zag een jonge vrouw op haar zij liggen met haar rug ontbloot. Een dikke naald boorde zich in het vlees van haar onderrug en werd een heel eind in het merg geduwd. Eerst viel mijn gehoor weg, toen kwam de misselijkheid. Niet lang daarna zag ik niks meer. Toen ik mijn ogen weer opende lag ik in een bed met mijn benen op twee kussens. Ik kreeg een witte boterham en cola.

Later op de dag moest ik assisteren bij de bevalling van de vrouw die nu van onderen verdoofd was. Ze was 27 en toe aan haar derde kind. Ze ving de weeën op alsof ze bij de kapper zat en wachtte tot de conditioner ingetrokken was. De vader was erop gebrand dat het kind op een rond uur ter wereld kwam, wat bij de vorige twee kinderen op enkele minuten na niet gelukt was. Hij keek geconcentreerd naar de klok. Ik tuurde met hem mee naar de wijzers die voortkropen.

Ik dacht aan Vogel. Ik stelde me voor dat wij een kind kregen en dat hij aan het barensbed zat. Hij zou zo’n vader zijn zoals in mijn leerboek stond: hij zou een koel kompres op mijn voorhoofd leggen en mijn pijn verzachten met drukpuntmassage. Om precies 15.00 uur baarde de vrouw een blauwig jongetje. De vader deed een high-five met de verloskundige. Ik struikelde en liet toen de blauwe zak waarin uitwerpselen en andere excreties verzameld werden uit mijn handen glippen.
Osama dood en Vogel gevlogen

In april verwarmde de lentezon de grond, dit keer echt. Ik zaaide gras dat kiemde, de bloembollen hadden de vorst overleefd en kwamen uit: eerst de narcissen en daarna ook paarse krokussen. Ik belde Vogel. Hij nam niet op. Ik sprak een mop in op het antwoordapparaat en besefte te laat dat hij het was die mij die mop had verteld.

In mei werd Osama Bin Laden vermoord. Volgens de president van Amerika was de wereld nu een betere plek. Hij was opgelucht zei hij, en dat gevoel deelde ik: om het cursusmateriaal van de opleiding deed ik een touwtje en legde het pakket bij het oud papier. Zou iemand het merken als ik niet meer opdaagde op mijn stageplaats? Ik besloot van niet. Onder de kast in de keuken vond ik een plastic spuitje van 5cc met de naald ernaast. Het oefenen in een sinaasappel had ik maar één keer geprobeerd.

Het was een maandag in juni en over drie weken zouden we ons theaterproject opvoeren. De affiches waren gedrukt, de zalen vastgelegd. In het cultuurkatern van de krant die dag stond het hoofd van Vogel paginagroot afgebeeld. In het bijbehorende interview vertelde hij dat hij ‘nu eindelijk’ een vriendin had. Een fotomodel-actrice uit New York. Ik zette thee en las de krant uit, helemaal van voor naar achter. Er was nog steeds geen regering, maar dat hoefde ook niet echt. Plots zag ik het voor me: mijn vrienden die met plaatsvervangende schaamte naar mij zouden komen kijken in een buurtcentrum in Deurne-Zuid. Ik, de tragische heldin in een sociaal stuk dat later in recensies als ‘moedig’ en ‘authentiek’ omschreven zou worden. Ik nam de telefoon, belde de regisseur en zei dat ik niet meer meedeed. Vervolgens schilde ik aardappels voor het avondeten. Met Vogels hoofd bekleedde ik de bodem van het emmertje voor groenafval, daarin schoof ik de schillen.

-

Dit artikel verscheen eerder op hard//hoofd in het kader van de faalweek.

 

Vertel het verder: