Wie zwijgt, verzwijgt?

Op dinsdag 5 juni gaf Susan Legêne (hoogleraar politieke geschiedenis aan de VU in Amsterdam) een lezing tijdens de avond ‘Verzwegen Verleden' in de Beursschouwburg in Brussel. In haar lezing reageerde zij op de vraag hoe duistere passages uit een nationaal verleden herdacht moeten worden. De uitgeschreven tekst van deze lezing kunt u teruglezen op onze site.
Door Susan Legêne op Tue 19 Jun 2012
Lees/luister/kijk

Op dinsdag 5 juni gaf Susan Legêne (hoogleraar politieke geschiedenis aan de VU in Amsterdam) een lezing tijdens de avond ‘Verzwegen Verleden' van deBuren in de Beursschouwburg in Brussel. In haar lezing reageerde zij op de vraag hoe duistere passages uit een nationaal verleden herdacht moeten worden.

Wie zwijgt, verzwijgt?

Susan Legêne deBuren - Brussel - 5-6-2012

'Verzwegen verleden' luidt de titel van dit deBurendebat. En de concrete vraag daarachter: 'hoe moeten we duistere passages uit ons nationale verleden herdenken?' Hartelijk dank voor de uitnodiging om over deze actuele vraag ook mijn visie te geven. Dat zal ik doen, gelardeerd met enkele Nederlandse historische voorbeelden. Hoe actueel het thema is, bleek me weer toen op 25 mei bekend werd gemaakt dat Kees van Kooten ons boekenweekgeschenk 2013 gaat schrijven over het thema Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden. Ik citeer het persbericht van de CPNB: ‘Het verleden van de Lage Landen kent roemrijke perioden, maar evenzovele schaduwkanten. Het is een geschiedenis van heldendaden en verraad, van glorieuze gebeurtenissen en van rampspoed. (...) Om de zon- en schaduwzijde van ons verleden draait het in de Boekenweek. Om de nuances en de dilemma's.'

Dames en heren, hier zal Kees van Kooten vast iets goeds van maken, echter, ik hoop dat hij niet zal blijken te weten waar de Lage Landen van ons verleden liggen. Want laat ik meteen mijn hoofdstelling voor vanavond poneren: we leven in een tijd waarin veelvuldig de geschiedenis wordt aangeroepen om invulling te geven aan eigentijds burgerschap. Daarbij geldt het kader van de natiestaat als uitgangspunt – vanuit Nederland of België eventueel verbreed tot de wat vagere noemer van de Lage Landen. Maar dit nationale kader versmalt het historisch perspectief. We moeten de geschiedenis van de natie en van het eigentijds burgerschap kennen – en dat is waaraan bijvoorbeeld in Nederland de canon beoogt bij te dragen – maar voor de herdenking van het verleden is het nationale kader te smal. Immers, de natie is niet de noodzakelijke uitkomst van de geschiedenis, en ze hoeft niet het enige raam zijn waardoor we bij herdenkingen naar het heden en de toekomst kijken. Dat er de laatste tijd zoveel aandacht is voor ‘verzwegen verledens' en voor ‘zwarte bladzijden' weerspiegelt misschien een zeker wantrouwen tegen het dwingende historische kader van de natiestaat. Maar tegelijkertijd zie ik in de uitwerking van de aandacht voor die duistere kanten van het verleden ook vaak een bevestiging van precies dat zelfde kader. Ik ben dan ook bepaald geen voorstander van een focus op zwarte bladzijden en duistere passages.

     

Dekolonisatie als transnationale geschiedenis
Neem dit voorbeeld van de opstand in Surabaya in 1945, na het vlagincident: de Japanners waren verslagen, de Nederlanders nog niet op volle sterkte terug, de Indonesische onafhankelijkheid eenzijdig uitgeroepen. In Surabaya brak een opstand uit die door de aanwezige geallieerde troepen tegemoet werd getreden, met name door Brits-Indische soldaten onder Engels bevel van Mallaby. Mallaby werd gedood door Indonesische pemuda's, die in de enorme slag om de stad die daarop volgde, weigerden zich over te geven. Ten koste van duizenden mensenlevens en honderdduizenden vluchtelingen, werd de orde hersteld. Eén van de zonen van Mallaby noemde het onlangs een tragedie en een weerzinwekkende verlies. Dat gebeurde in een indrukwekkend interview door Peter Hogendijk, de zoon van een Nederlandse vrouw die in die dagen als jonge vrouw werd geëvacueerd. (Documentaire Soerabaja/Surabaya door Peter Hogendijk – www.soerabajasurabaya.nl) Het was deze stadsoorlog die de Engelsen duidelijk zou hebben gemaakt dat het Nederlandse kolonialisme echt over was; weldra steunde Engeland Nederland niet langer in zijn verzet tegen de dekolonisatie. In 1948 stelde een Nederlandse krant dan ook woedend dat historici later niet in staat zouden zijn om het Engelse gedrag in Nederlands-Indië als fatsoenlijk te beschrijven.

We herinneren ons dit niet meer. De selectiviteit van de nationale herinnering verklaart dat wat in die weken in Surabaya gebeurde in Nederland – en naar ik heb gemerkt ook in Engeland – nauwelijks nog bekend is, terwijl het in Indonesië jaarlijks wordt herdacht. Surabaya 1945 is een voorbeeld van het inherente transnationale karakter van geschiedenis, waarbij een visie vanuit de latere natiestaat tot blikvernauwing leidt. Is bijvoorbeeld Surabaya 1945 verzwegen? Of is het niet gekend omdat Indonesië uit zicht verdween?

Verzwegen of niet gekend?
Mijn interpretatie van de titel van ons debat "verzwegen verleden" riep bij mij de vraag op: is het verzwegen verleden iets wat bestaat of wat gebeurt? "Verzwegen" staat tegenover "besproken verleden". Maar wie is dan de verzwijger of de bespreker? Als bijvoorbeeld de mensen van weleer ergens over zwegen, zoals Hogendijks moeder over haar ervaringen als evacué, dan hoeft dat later toch niet persee verzwegen te worden; en andersom: als tijdgenoten iets welbewust verzwegen, dan kan dat later heel wel openbaar zijn gemaakt. Wie zwijgt verzwijgt niet noodzakelijkerwijs, zwijgen kan zeer betekenisvol en zeer beladen zijn. Zo ging filmmaker Hogendijk vragen stellen aan zijn moeder, die daar uit zichzelf niet over had gepraat.

Zo bezien zijn het nu met name de historici die de geschiedenis actief kunnen verzwijgen en historici is hier dan breed opgevat: zij die geschiedenis schrijven, documentaires maken, of bijvoorbeeld tentoonstellingen. We construeren steeds weer een beeld van het verleden, op basis van een selectie van bronnen, van eerdere geschiedschrijving en van de vragen van onze eigen tijd. Onze tijd stelt de vraag wat er actief wordt verzwegen over het verleden; en waarom is juist dat zo'n leidende vraag? Vanuit het impliciete dominante kader van de natie interpreteer ik dat als twijfel over de historische legitimiteit van die natie, van België of van Nederland: landen die ooit koloniale rijken waren. Nu zoveel belang wordt gehecht aan een normatief historisch burgerschap, verzetten burgers zich misschien wel tegen die norm met de vraag of de nationale geschiedenis wel ons aller geschiedenis vertegenwoordigt.

Neem bijvoorbeeld de vele vragen naar de geschiedenis van de Nederlandse slavernij, lange tijd een verzwegen verleden. Bij de studie van de achttiende en negentiende-eeuwse bronnen van dit verleden zullen we rekening moeten houden met drie vormen van zwijgen, die degenen die de bronnen ooit schreven gekozen kunnen hebben: de eerste vorm is het bewust niet noemen van wat verborgen moet blijven; de tweede is het niet kunnen zeggen, of het verbloemen of verzwijgen van datgene waarvoor de betrokkene geen woorden wist, vanwege een trauma, uit schaamte, uit ongemakkelijkheid; en de derde vorm van zwijgen betreft datgene wat niet onder woorden werd gebracht omdat het zo normaal was dat het idee niet opkwam om het te noemen. Wie nu bijvoorbeeld een Nederlandse geschiedenis van slavernij en emancipatie wil schrijven zal op alle drie deze vormen van zwijgen en verzwijgen alert moeten zijn.

Een klein voorbeeld: de slavenhouder wordt in de bronnen veelal eufemistisch "plantage-eigenaar" genoemd, of ook de "directeur van de plantage". Tijdgenoten in Nederland die niet over slavernij na wilden denken konden dat gegeven zelf tussenhaakjes plaatsen door zich vast te houden aan dat begrip plantage-eigenaar, zonder door te denken over de overzeese samenleving die op slavernij berustte. Ook die plantage-eigenaar zelf hoefde zijn slaven niet te kennen, hij kon ook zijn eventuele kinderen op plantage verzwijgen, ze hoefden niet te bestaan; de meeste plantagearbeiders die in slavernij werkten komen pas als historische persoon in de archieven terecht op het moment dat ze vrijgemaakt worden. Dan pas gaan ze deel uitmaken van de nationale geschiedenis. Maar we weten veel meer over die samenleving: via tijdgenoten, via overgeleverde voorwerpen uit het slavernijverleden en via de herinneringen en mondelinge overlevering van nazaten van tot slaafgemaakten.

Ook dit is zo'n schaduwzijde van het verleden waarnaar de CPNB verwijst met het boekenweekgeschenk. De slavernijgeschiedenis kent veel elementen van een verzwegen verleden. Maar dat klinkt me eigenlijk te actief: alsof we steeds bewust bezig waren met verzwijgen. Net als Surabaya 1945 zou je het ook kunnen zien als een geschiedenis die lange tijd nauwelijks werd gekend. Er bestaat nu een nationaal monument voor, opgericht in 2002 (ontwerp door Erwin de Vries) op initiatief van nazaten van tot slaafgemaakten, en verbonden aan een jaarlijkse nationale herdenking van de Emancipatie van 1863. Dat bevestigt dat de geschiedenis niet langer wordt verzwegen. Maar dat is niet het zelfde als de geschiedenis kennen. De bronnen hebben hun geheim nog lang niet volledig prijsgegeven, en we weten lang niet altijd welke betekenissen er aan toe te kennen. Hier is de geschiedenis aan zet om de vele vormen van zwijgen te proberen te begrijpen.

Erflaters en nazaten
Dat brengt me op het thema van erflaters (zij die het hebben meegemaakt) en nazaten (zij die zich identificeren of geïdentificeerd worden met een bepaalde geschiedenis). In het Radioboek De Erfenis van Joseph Pearce staat het perspectief centraal van degene die de geschiedenis zelf meemaakte, van de erflater dus. Het verhaal gaat over het "Museum van de gebeurtenis", een museum over een genocide die de hoofdpersoon op vijfjarige leeftijd door toeval heeft overleeft, waarna hij er op latere leeftijd als gids gedurende een aantal decennia meer dan 8.000 rondleidingen over heeft gegeven, tot hij nu, op zijn 85ste, moet stoppen. Het verhaal is een toekomstvertelling; de genocide speelde zich in onze dagen af. Pearce laat de oude man in een verre toekomst leven met een hedendaagse gebeurtenis die vervolgens is gemusealiseerd en waarvoor een obelisk ter herinnering is opgericht. Naast dit gemusealiseerde verhaal heeft de oude man slechts houvast aan zijn herinnering die is gebaseerd op eigen ervaring; in de loop der jaren is zijn verhaal in het museum gecanoniseerd. Nu hij moet stoppen maakt hij zich zorgen over wat hij aan de volgende generaties kan nalaten. Immers, de overheid heeft genocide-ontkenning verboden, en de man vreest dat verbod, want, zo vraagt zich af, als ontkennen verboden is, waarom dan nog te herinneren? Hij begrijpt dat de strijd met het vergeten een strijd is van de mensheid met zichzelf. (Joseph Pearce, De Erfenis)

De publieke ruimte van het nationale verleden
Dat probleem van historische kennisoverdracht van erflaters naar nazaten, van onthullen, onthouden, canoniseren en begrijpen – Pearce heeft het treffend verwoord – zien we terug in hedendaagse nationale herdenkingspraktijken. Herdenken kan normatief worden opgevat als: rekenschap geven van het verleden, lessen trekken, goede voornemens maken: ‘Nooit meer Auschwitz' (opgericht in 1977, ontworpen door Jan Wolkers), of het slavernijmonument, dat verwijst naar slavernij als misdaad tegen de menselijkheid. Herdenken kan ook accepteren zijn, en in herinnering houden: het monument in Amsterdam voor de vliegramp bij Zanderij in Paramaribo in 1989 bijvoorbeeld. Of de herdenking wijst vooruit: het monument op het plein voor het Binnenhof in Den Haag dat kracht bij zet aan het non-discriminatieartikel waarmee sinds 1983 de Nederlandse grondwet opent. In de beeldtaal van de monumenten vinden we die betekenissen van herinneren, manen, opvoeden terug. Je zou ook kunnen zeggen dat op straat de beelden met elkaar een verbinding aangaan, elkaar citeren, corrigeren, aanvullen. Samen scheppen ze een publieke sfeer die nationale geschiedenis heet.

             

Laat me dat kort uitwerken met een aantal concrete voorbeelden met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging. Ik herinner me nog goed hoe in 1988, na een aantal jaren van steun zoeken en geldinzameling, op het Waterlooplein in Amsterdam vanuit Joodse kring een monument kon worden opgericht (ontwerp Josef Glatt) ter herdenking van het verzet van Joodse burgers tegen de Jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Dat monument vormde een belangrijke toevoeging, zo niet een kritiek, op twee nabijgelegen monumenten. Een daarvan is het monument aan de Weesperstraat (ontwerp Jobs Wertheim), opgericht door de Joodse gemeente uit erkente-lijkheid voor de genoten bescherming tegen de Jodenvervolging. Van meet af aan was het een ietwat ongemakkelijk monument. Mensen waren beschermd, ja, maar verreweg de meeste Joden hadden de oorlog niet overleefd, toch? Het andere monument is de Dokwerker (ontwerp Marie Andriessen), waar jaarlijks de Februaristaking van 1941 tegen de Jodenvervolging wordt herdacht. De politieke geschiedenis van dat monument is gekleurd door de strijd om erkenning van de Communistische Partij Nederland en diens verzetsverleden, in het Nederland van de Koude Oorlog.

           

De drie monumenten samen: Joodse erkentelijkheid (opgericht in 1950), Amsterdams protest (opgericht in 1952), en Joods verzet (ruim vijfendertig jaar later opgericht in 1988), staan op enkele honderden meters van elkaar en bovendien vlak bij de Hollandse Schouwburg waar Joden bijeen werden gebracht voor ze werden gedeporteerd, en bij het nabijgelegen Auschwitzmonument. En zo kunnen we nog veel verder wandelen door deze buurt, langs het Joods Historisch Museum, de synagoge's, het monumentje van Jacob Israel de Haan en zo verder. Ruimtelijk staat het allemaal vlak bij elkaar, en die gelijktijdigheid leidt voor onze generatie tot een bepaald verhaal. Maar we moeten beseffen dat de ruimte voortdurend verandert, net als de geschiedenis. Ieder monument, met het jaartal waarin het werd opgericht, geeft uitdrukking aan een bepaald perspectief op de Jodenvervolging. En elk perspectief is niet alleen bepaald door wat er is gebeurd, maar ook door wat mensen wilden, konden, of mochten zeggen, en door de beeldtaal die daarvoor kon worden gevonden. Volgende generaties zullen door een veranderde buurt lopen en aan de verzamelde monumenten een nieuwe geschiedenis toevoegen.

Zwijgen, verzwijgen, onthullen, vertellen en weten
Ik sluit af met een laatste voorbeeld van zo'n monumentale verankering van historisch besef en eigentijdse maatschappelijke insluiting: namelijk de uiterst verhalende beeldengroep (ontwerp Helen Ferdinand) die in 2003 door de Hindustaanse gemeenschap in Den Haag werd opgericht. Het was een geschenk aan de stad en een bevestiging van de eigen migratiegeschiedenis. De twee panelen bevatten tekst en beeld die verwijzen naar de geschiedenis van de contractarbeiders die in Uttar Pradesh en Bihar werden gerecruteerd en zich in Suriname vestigden, vanwaar nazaten rond 1975 naar Nederland kwamen. We zien het schip, de stoomboot en het vliegtuig, en we zien de verschillende talen en het schift die vastzitten aan deze geschiedenis. Vlak ernaast staat het standbeeld van Gandhi (ontwerp Karel Gomes), die de band met India illustreert en tegelijkertijd met tekst op de sokkel de Hindustanen aanmoedigt om waar men ook is, zichzelf te blijven. De beeldengroep is des te interessanter, omdat het om een geschiedenis gaat waarover veel betrokkenen, ook in eigen kring, het liefste zwijgen – en hier ligt een parallel met bijvoorbeeld de geschiedenis van de Jodenvervolging of, lange tijd, het slavernijverleden. Er wordt weinig over gepraat over het verleden als contractarbeider en het vertrek uit India. Lange tijd is er, zowel in Suriname als in Nederland, nauwelijks teruggekeken en weinig aan geschiedschrijving gedaan. De geschiedenis van de groep is overgeleverd in cultuur en taal, zoals het monument ook laat zien. Het is ook een geschiedenis die zeer nauw verweven is met de geschiedenis van slavernij, omdat de contractarbeiders de slaven op de plantages opvolgden. Zo interacteren de twee Haagse Hindustaanse monumenten met elkaar en staan ze tevens in verhouding met het slavernij monument in Amsterdam.

                    

Vanuit mijn stelling dat de monumenten met elkaar een publieke sfeer scheppen die nationale geschiedenis heet, staat de hedendaagse mentale omgang met die geschiedenis rondom de monumenten met elkaar in verbinding. Bij herdenkingen staan de historici als de makers van het geschiedverhaal, of de beeldhouwers als verbeelders van die geschiedenis, op de achtergrond. De relatie van de aanwezigen tot de historische personages staat centraal. Het is vooral in die context dat gesproken wordt over Gouden Tijden en Zwarte Bladzijden, om de CPNB nog een keer te citeren. Maar ik denk ook dat die herdenkingscultuur mensen niet zomaar samen bindt; ze maakt ook wantrouwend, juist vanwege de normatieve lading die de geschiedenis dan krijgt. De natiestaat als uitgangspunt van herdenken, biedt meteen ook een kader voor vergeten en verzwijgen. Impliciete connotaties van heldendom creëren ook slachtofferschap; die van eigen initiatief en keuzes, brengen ook overmacht in beeld, of vergroten de beschermende rol van de overheid uit. We hebben recent voorbeelden gezien van de verwarring die daaromtrent dan heerst.

Zo staan geschiedenis, geschiedschrijving en herdenkingscultuur, met alle aspecten van zwijgen, verzwijgen, onthullen, vertellen en weten, in een permanente wisselwerking tot elkaar. De suggestie dat er gouden tijden waren en zwarte bladzijden, of dat we naast de nationale canon een zwarte canon moeten maken, versimpelt die wisselwerking.

Deze lezing is mede gebaseerd op:
Susan Legêne, Spiegelreflex. Culturele sporen van de koloniale ervaring. Amsterdam 2010. Zie ook: Rob van Ginkel, Rondom de stilte. Herdenkingscultuur in Nederland. Amsterdam 2011.

 

Vertel het verder: