De Gulden ontsporing: stadsdichters bij deBuren Archief

Ontmoetingen

maandag 11 juli 2005

deBuren, Leopoldstraat 6, 1000 Brussel

De Gulden Ontsporing, Feest van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel, is een totaalspektakel. Elk jaar opnieuw wordt dit feest meer dan de som van haar delen. Eéntaligen, tweetaligen, nieuwerwetse tweetaligen en anderstaligen allerhande worden dan ook hartelijk uitgenodigd om mee te maken wat we als Vlaamse Gemeenschap aan deze stad te bieden hebben. Er is ook een gevuld namiddagprogramma waarvan "Waar de mond van vol is..." het overkoepelende luik rond het ‘woord’ is. Verschillende partners werken eraan mee waaronder het Vlaams-Nederlands Huis deBuren.

DeBuren nodigen 4 stadsdichters uit: Tom Lanoye, ex-stadsdichter van Antwerpen en zijn opvolger Ramsey Nasr, Joost Zwagerman, stadsdichter van Alkmaar en Jan Eijkelboom, stadsdichter van Dordrecht. De dichters lezen uit eigen werk en gaan onder leiding van Martine Tanghe in debat over hun stadsdichterschap. Wat houdt het stadsdichterschap in? Wat zijn de morele dilemma's van de stadsdichter? Wordt er in Vlaanderen van een stadspoëet iets anders verwacht dan in Nederland?

IMPRESSIE

Bij deBuren traden vier Vlaamse en Nederlandse stadsdichters aan, die voordroegen uit hun werk voordat ze met elkaar in discussie gingen over het métier van poëet in gemeentelijke dienst. Of zoals Lanoye het genoemd heeft, het ambt van "externe stadsopsteller".

Voor Vlaanderen zaten Tom Lanoye, voormalig stadsdichter van Antwerpen en zijn opvolger Ramsey Nasr achter de tafel, voor Nederland waren dat Joost Zwagerman, stadsdichter van Alkmaar, en zijn collega Paul Gellings uit Zwolle, die optrad als vervanger van de zieke Dordtse stadsdichter Jan Eijkelboom.
De vier lazen eerst voor uit eigen werk en  beschreven daarbij op soms hilarische wijze hoe hun in functie geschreven gedichten tot stand komen. De meeste dichters gingen daarbij ook  al even in op de politieke aspecten van hun ambt.  Zo vertelde Paul Gellings, de enige democratisch verkozen stadsdichter, hoe hij tijdens zijn grotendeels via internet gevoerde campagne enkele bestaande verzen aanpaste zodat ze meer in de smaak zouden vallen van zijn stadsgenoten.

Martine Tanghe leidde het debat in met enkele historische beschouwingen over het stadsdichterschap, dat al teruggaat tot de Middeleeuwen. Daarna stelde zij de  politieke en artistieke valkuilen rond het ambt  aan de orde. Zo is het opvallend dat in Nederland bijna elke provinciestad zijn eigen dichter heeft, terwijl steden als Amsterdam, Den Haag en Rotterdam het zonder moeten stellen. Ramsey Nasr opperde dat grote steden het al moeilijk genoeg hebben, en wellicht niet het risico willen lopen met een kritische stadsdichter een paard van Troje binnen te halen. Die veronderstelling werd bevestigd door de uitspraak van Joost Zwagerman dat hij als stadsdichter van Amsterdam het 'radicaal anders' zou moeten aanpakken dan als stadsdichter van Alkmaar.

Leeft die vrees minder  in Vlaanderen, waar zowel Gent als Antwerpen een beroep hebben gedaan op de dichterlijke kwaliteiten van een bekende stadsgenoot? Sommige gedichten van grote stadsdichters Nasr en Lanoye zijn inderdaad eerder kritisch dan dat ze werden geschreven in een lyrische adoratie van Antwerpen. Maar ook bij hen lijkt het stadsdichterschap een kwestie van  voortdurende belangenafweging te blijven. In elk geval, zo benadrukt Ramsey Nasr,  moet elke kunstenaar zich ervoor hoeden een instrument van de politiek te worden:  "Kunstenaars zijn nu eenmaal geschikt om goede sier mee te maken, niet alleen voor politici."

En wat de artistieke valkuilen betreft: zijn stadsgedichten 'maakwerk' en andere gedichten 'kunst'? Daar ligt  precies de uitdaging, vond Ramsey Nasr. Stadsgedichten zijn minstens even belangrijk en er wordt even zorgvuldig aan gewerkt. "Maar als ik een stadsgedicht schrijf, heb ik het gevoel dat er duizend ogen over mijn schouder meekijken". Woorden worden gewikt en gewogen;  zowel de poëzielezer  als de inwoners van de stad moeten kunnen houden van het gedicht. “Krijg je veel reacties van mensen? En bereik je als stadsdichter mensen die anders geen poëzie lezen?” Alle dichters beantwoordden deze vraag  positief. Tom Lanoye vulde aan dat voor hem dat ook een van de doelstellingen van het stadsdichterschap is geweest. Hij beklemtoonde de relevantie ervan  voor de promotie van literatuur in het algemeen en poëzie in het bijzonder. Zijn wens was ook dat er een traditie zou ontstaan om jonge, bij het grote publiek onbekende talenten te benoemen zodat het naast een promotie voor de poëzie ook een stimulering is voor jonge dichters.

De slotvraag van Martine Tanghe: zou een bundeling van stadsgedichten van verschillende stadsdichters een historisch en maatschappelijk beeld van de stad opleveren? De hedendaagse traditie is nu nog te jong om daarover iets te zeggen, vonden de dichters.  Maar de geschiedenis van de poëzie bewijst wel dat gedichten over of geïnspireerd door steden soms ver boven hun onderwerp uitstijgen en tot de hoogtepunten van de dichtkunst gaan behoren.

In samenwerking met Onthaal en Promotie Brussel

Podcasts

#01 - Stadsdichters bij deBuren

Je hebt Adobe Flash nodig om deze podcast te kunnen beluisteren. Download flash hier.

Download (28.66mb)

Foto's

Reageer (0) Delen

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Volg onze RSS feeds of abonneer je op onze seizoensbrochure.