Verkleed als begrip. Lof voor Joke van Leeuwen

Geschreven door Cyrille Offermans op 10 oktober 2012

Joke van Leeuwen is zestig en dat werd uitgebreid gevierd in de Lokettenzaal van het Vlaams Parlement. Van Leeuwen is de ongekroonde koningin van het Nederlandstalige kinderboek. Naast tientallen kinderboeken, vaak voorzien van prachtige tekeningen van haar hand, schreef zij romans voor volwassenen, trad ze op als cabaretière en heeft ze een grote staat van dienst als dichter. Op haar zestigste verjaardag werd bekend dat ze de Constantijn Huygensprijs 2012 heeft gewonnen. Hieronder leest u de laudatio die Cyrille Offermans ter gelegenheid van haar verjaardag schreef. (Via een videofragment en een podcast kunt u ook de hele middag herbeleven.)

Joke van Leeuwen behoort tot onze productiefste schrijvers. Feest van het begin, haar meest recente titel, is naar eigen zeggen nummer achtendertig. Het merendeel daarvan staat in de bibliotheek in de afdeling ‘kinderen’, van nog nat achter de oren tot adolescent, een klein deel in de afdeling ‘volwassen’. Dat is jammer, vind ik, het zou beter zijn ze in die laatste afdeling alle achtendertig bij elkaar te zetten, voor de niet onwrikbaar met zijn rol en functie vergroeide ‘volwassen’ lezer valt er immers ook in die boeken uit het literaire souterrain heel wat te genieten. Het werk komt uit een en hetzelfde hoofd, hand en hoofd is misschien beter, lijf en hoofd nog beter, want Joke van Leeuwen denkt met haar zintuigen, haar vingers, haar hele fysieke gestel. Vandaar dat in nogal wat boeken tekst en tekening hand in hand gaan, vandaar haar beeldende schrijfwijze en haar vertellende tekeningen.

Dat zal eraan bijdragen dat haar oeuvre zo’n feestelijke indruk maakt. Dat begint al bij de titels. Wie verkneukelt zich niet bij het zien van een boek dat Ozo heppie heet? Wie vat geen nieuwe moed bij: De wereld is krom maar mijn tanden staan recht? Welk kind wil niet onmiddellijk naar bed als het weet dat het nog een half uur mag lezen in Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden? En wie, jong of oud, en met of zonder technische aanleg, zou niet willen weten Waarom een buitenboordmotor eenzaam is? Het verbaast eigenlijk dat pas in haar achtendertigste boek het woord feest in de titel voorkomt – Feest van het begin, alsof het feest van dit schrijverschap niet al veel eerder, als ik me niet vergis in 1978, is begonnen.

En dat is niet onopgemerkt gebleven. Joke van Leeuwen is zowat met alle denkbare literaire prijzen geëerd, ik ga ze nu niet allemaal opsommen, maar in een baldadige bui zou ze met de Verzamelde juryrapporten of Verzamelde laudatio’s haar werkkamer kunnen behangen, ook moet het zo langzamerhand mogelijk zijn een fraai Querido-boek met een dergelijke titel uit te geven. Het merendeel van die onderscheidingen – dat is eigenlijk een beter woord dan prijzen, die toch te veel aan een wedstrijd doen denken – kreeg ze voor haar kinder- en jeugdboeken, terecht, maar Feest van het begin is een nieuw hoogtepunt, zelf ben ik geneigd de roman tot haar beste werk tot nu toe uit te roepen. Ik wil deze laudatio graag gebruiken om dat uit te leggen, ook omdat de roman naar mijn mening een verhelderend licht werpt op haar hele oeuvre.

Maar anderzijds – ik hoor hier en daar al iemand zuchten en ongedurig met zijn stoel schuiven – weet ik ook wel dat een laudatio niet de meest geschikte gelegenheid is voor diepgravende ingewikkelde analyses, dat u geen zin hebt in schoolmeesterachtigheden en dat u eigenlijk vooral uitkijkt naar de hapjes en de drankjes na afloop. Daar heb ik alle begrip voor. Ik zal me daarom beperken tot een paar hoofdzaken, na de inleidende alinea’s komen meteen de uitleidende.

Feest van het begin is in zekere zin een historische roman. Ik formuleer dat met enige aarzeling omdat de schrijfster weliswaar inzoomt op een specifiek tijdperk, zich ook terdege heeft georiënteerd, maar weinig interesse aan de dag legt voor de hoofdlijnen en de hoofdpersonen van het drama, voor namen en data. Begrijpelijk, die hoofdzaken zijn al zo tot in de administratieve details beschreven dat er voor haar weinig eer meer aan te behalen viel. Des te meer is dat het geval nu ze zich op bijfiguren concentreert, ten dele bekend maar geanonimiseerd, ten dele geheel verzonnen. Hun ervaringen komen in de geschiedenisboeken immers nauwelijks of niet ter sprake.

Dus krijgt de lezer geen exposé over de politieke onrust in het revolutionaire Parijs, eind achttiende eeuw. De imaginaire lezer die het experiment waagt zonder voorkennis aan het boek te beginnen, dus ook zonder de flaptekst te lezen, zal niet meteen weten in welke wereld hij is terechtgekomen, tenzij er in zijn hoofd een belletje gaat rinkelen bij de sprookjesachtige tijdsaanduiding ‘het eerste jaar van de nieuwe vrijheid’. Iets verderop, als hij het woord ‘faubourgs’ leest, zal hij weten dat de rivier die ‘als een kromme ruggengraat’ door de hoofdstad loopt, de Seine moet zijn, en hij zich dus in Parijs bevindt.

En als hij ook nog iets van filosofie weet, moeten de mannen die in de cafés over ‘de algemene wil’ discussiëren hem leren dat het een tijd is waarin de theorieën van Rousseau zich meester maken van de massa’s, om een formulering te gebruiken van latere marxistische adepten die zijn politieke filosofie meedogenloos in de praktijk brachten, kennelijk niet beleerd door de deugdenterreur van de jakobijnse fractie van destijds, waar Joke van Leeuwen juist een scherp oog voor heeft. De nageschiedenis is bij haar afwezig, althans feitelijk, maar wie goed luistert hoort de dreiging ervan al meeklinken in heel wat zinnen, want het feest van het begin, zo blijkt, is qua feestelijkheid van begin af aan een bedenkelijk, dubbelzinnig gebeuren.

Maar toch: een feest. Het wordt aangekondigd via de figuur van een vijftienjarig meisje, een vondelinge die in het hospice van strenge, vreugdeloze nonnen het vuile werk mag opknappen, maar die tot heel wat meer in staat moet zijn, zeker is van meet af aan dat ze ‘op haar handen kan staan.’ Dat zijn meteen veelzeggende aanwijzingen. Wie op zijn handen kan staan (bij Van Leeuwen een vertrouwd kunststukje, bijvoorbeeld ook beheerst door Kukel in het gelijknamige boek) bekijkt de wereld van een andere kant, beseft de relativiteit van het genormeerde beeld en staat, letterlijk, voor een omgekeerde wereld.

Het kan dus niet verbazen dat de vondelinge van Joke van Leeuwen bij het op haar handen staan ‘een ongekend gevoel van vrijheid’ ervaart. Het kunstje moet haar het gevoel geven dat alles ook anders kan. Ze zint op uitbreidingen, verhevigingen van dat vrijheidsgevoel, en wordt daartoe gestimuleerd door Berthe, een hartelijke, dissidente non van rijke komaf die zich opwerpt als haar mentrix, haar beschermster, haar vriendin, ja als haar ‘zelfverklaarde’ zus.

Berthe beseft dat de omwenteling in het leven van de vondelinge – de lezer denkt: parallel aan de gebeurtenissen in de buitenwereld – om een bekrachtiging vraagt in de vorm van een nieuwe, aan de nieuwe tijd beantwoordende naam. Door de nonnen van het hospice was de vondelinge naar twee heiligen genoemd, Catharina Godeliève, Berthe kort dat in tot het areligieuze Catho. Zij laat haar voelen ‘wat lichaamswarmte kon doen’ en vindt niets vreugdevoller dan haar te zien opbloeien. Catho verlangt naar kennis, ze wil leren lezen en schrijven, Berthe laat haar ‘het wonder van de geletterdheid’ ervaren en ‘wil van alles met haar beginnen’.

Feest van het begin
kan dus op het verwachtingsvolle begin van de Franse Revolutie slaan, heel concreet ook op het feest op het Marsveld ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de Revolutie, dus op 14 juli 1790, waarover ze een paar mooie bladzijden schrijft. Meer in het algemeen heeft hij betrekking op elk begin, althans elk nieuw begin, voor zover dat niet al een pleonasme is. Elk nieuw begin is vervuld van de hoop en verwachting dat het leven anders, beter, mooier, rijker wordt.

Het is niet verwonderlijk dat het kind bij uitstek de drager is van die hoop en die verwachting, en evenmin dat het kinderboek de plaats is waar aan de realisering daarvan het nadrukkelijkst gewerkt wordt. De kinderlijke blik is nog niet door ‘begrippen’ gestroomlijnd en ingekaderd, is daardoor in staat tot ongebruikelijke waarnemingen en ideeën, de kinderlijke brutaliteit herinnert ons aan een vrijgevochtenheid waar de meeste volwassenen alleen nog maar van kunnen dromen.

Dat bepaalt voor een deel de aantrekkelijkheid van het werk van Joke van Leeuwen, ook dat voor volwassenen, het staat barstensvol taal – intieme observaties, laconieke reacties, abrupte overgangen, ‘onlogische’ opsommingen, heterogene combinaties, verrassende karakters, uitingen van blijdschap en angst, jubel- en  schrikreacties – die laat zien dat een rijk leven een leven is waarin kinderlijkheid de ruimte krijgt, sterker, die het vermoeden wettigt dat een rijk leven onmogelijk is zonder een permanente kinderlijke vernieuwingsdrift.

Maar daarmee is het niveau van haar werk toch pas voor de helft verklaard. De kinderlijkheid in haar werk is zo overtuigend omdat ze niets demonstratiefs heeft, ze loopt niet te koop met haar eigen vondsten, doet niet mee aan een kinderwedstrijd in spontaniteit, ze is, integendeel, een vanzelfsprekende dimensie van een ‘gewone’, onopvallende houding, die zich alleen van de allergewoonste houding zonder aanhalingstekens onderscheidt door een bijna natuurlijk maar discreet onvermogen zich te schikken naar geprefabriceerde waarnemingen, naar clichés, naar gestandaardiseerde verwachtingspatronen.

Haar kinderlijkheid is er een van de tweede graad, het is een afgedwongen, zelf gecultiveerde kinderlijkheid, het resultaat van oefenen en nog eens oefenen, uiteindelijk een kwestie van vormkracht. De kinderlijkheid van de eerste graad is er een die zich niet laat beleren, die hardnekkig weigert volwassen te worden, die in zichzelf verstijft – een beter woord daarvoor is infantilisme. Dat infantilisme komt tot uitdrukking in de modernistische obsessie met het radicaal nieuwe, waarvan de Franse Revolutie een voorproefje geeft.

Het is niet toevallig dat ook in de geschiedenis van de kunsten het woord revolutie is ingeburgerd: men wil het totaal nieuwe, alsof er van vroegere generaties, van hun collectieve verworvenheden en hun vergissingen, hun inzichten en trauma’s, niets meer te leren valt. Vanuit die optiek is de historische avant-garde niet veel meer dan een dolgedraaide romantiek: authenticiteit geradicaliseerd tot een hooghartige afkeer van alle geschiedenis en dus, onvermijdelijk, tot historische naïviteit, met een dramatische teloorgang van de ambachtelijkheid en het intellectuele niveau als gevolg.

Het is veelzeggend dat Joke van Leeuwen aan het eind van Feest van het begin het perspectief van Berthe kiest, de oudere vriendin van Catho, die ze in het echt tot haar verdriet al twee jaar niet meer heeft gezien. We hebben Berthe dan leren kennen als kind uit een welgesteld gezin, gezien haar oorspronkelijke naam ‘met veel tierlantijnen eraan’ is ze  waarschijnlijk van adel, als kind heeft ze haar verbeeldingskracht geoefend door tekeningen te maken uitgaande van een toevallige inktvlek, ze is muzikaal en speelt klavecimbel en pianoforte, ook geeft ze ‘denkles’ aan een zevental bevriende vrouwen.

Dan vindt Berthe bij toeval het geschilderde portret van Catho, het is een allegorische verbeelding van de Vrijheid. Berthe vindt die vrijheid, ‘verkleed als begrip’, maar niks, alle kinderlijkheid is opgelost in geposeerde verhevenheid, een lot waaraan ‘fatsoenlijke’ kinderen ook in latere tijden niet zouden ontkomen. Berthe heeft een ander idee van vrijheid. Ze heeft inmiddels genoeg pijnlijke ervaringen opgedaan met de nieuwe vrijheid dat ze weet dat vrijheid en naïviteit niet samengaan. Ze denkt: ‘Waarom heeft die schilder de vrijheid niet verbeeld als een moeder of een wijze oude vrouw, waarom moet het een jong ding zijn dat niet is voorbereid op wat er kan gebeuren?’

Het werk van Joke van Leeuwen is niet het werk van zo’n ‘jong ding’. De kinderlijke spontaniteit is opgelost in een precieze en doordachte vormgeving, in een geraffineerde verstrengeling van verhalen, talloze impliciete verwijzingen en onuitgesproken betekenissen. Daarmee cultiveert ze een vorm van feestelijkheid die maatschappelijk op zijn retour is. Veel tijdgenoten, niet eens alleen jongeren, zien een feest als een orgie van ongeremdheid, liefst collectief te ondergaan in een staat van verdoving die doorgaans eindigt in een kater van doffe, hulpeloze sprakeloosheid.

Joke van Leeuwen wil geen knaleffecten, überhaupt geen effectbejag. Ze mikt niet op lezers als lid van een collectief, een doelgroep met duidelijke, herken- en fabriceerbare eigenschappen, ze wil de lezer ook allerminst in staat van verdoving brengen, alsof dat zo’n feestelijk gezicht is. Nee, net als Berthe mikt ze op het individu, niet eens een empirisch individu, eerder een individu dat zou kunnen bestaan, dat voldoende alert is en over voldoende verbeeldingskracht beschikt om zich al lezend de koning te rijk te voelen. Daarmee verheft ze hem, de lezer, vele jaren nadat een flink deel van de adel door fanatici van het nieuwe begin werd vermoord, alsnog in de adelstand. Groter kan de verdienste van een schrijver niet zijn.



Cyrille Offermans schreef de afgelopen veertig jaar aan een indrukwekkend literair-kritisch oeuvre. Hij was redacteur van Raster, publiceert regelmatig in Nederlandse en Vlaamse tijdschriften en kranten en won onder andere de Jan Greshoffprijs en de Pierre Bayle-prijs.