Iedere schrijver sterft midden in een zin

Geschreven door J. Bernlef op 29 oktober 2012

Op zondag 5 juni 2011 was J. Bernlef in Vrijstaat O. (Oostende) te gast in het programma IM van deBuren. Hij sprak toen, zogenaamd namens zijn alter ego de jazzpianist, onderstaand In Memoriam voor zichzelf uit.

Het is mij vreemd te moede nu ik de beste vriend van mijn leven kwijt ben geraakt. Lastig mij voor te stellen dat ik hem nooit meer spreken zal, zijn stem, een beetje schor van het roken, nooit meer zal horen,  zijn controlerende blik van onderop of wat hij beweerde wel bij mij was binnengekomen niet meer op mij gericht zal voelen.

Ik leerde Henk in 1960 te kennen, op het moment dat hij zijn eerste dichtbundel, Kokkels, publiceerde. In een café las hij eruit voor. Het eerste gedicht van die bundel herinner ik me nog goed. Dat ging zo.

OPDRACHT

met een scheermesje kan het
soms wel 2x per dag
met een broodzaag kan het
je twaalfuurtje bereiden
met een gasslang kan het
rode kool in een half uur gaar
in een badkuip kan het
een keer per week en flink met zeep
met een touw kan het
als je broekriem soms stuk is

Boven het gedicht stond een motto: 'the more you think of dying / the better you will live.' Qua levenswijsheid sprak hij voor zijn beurt vond ik toen.

Aan de bar kwamen we in gesprek. Henk bleek niet de morose dichter die op zijn drieëntwintigste al met het idee van zelfmoord rond liep. Het gedicht was niet meer dan een grapje, zei hij toen. Maar terugkijkend  blijkt het meer dan dat. De laconieke, nuchtere toon van zijn gedichten verbergt iets, een gemoedsgesteldheid die ik pas later bij hem zou leren kennen.

Al na een paar ontmoetingen hadden we het idee onafscheidelijk te zijn. Misschien lag dat aan het feit dat we alle twee Henk heetten en, volgens sommigen, als broers op elkaar leken. Als twee druppels water, zeiden sommigen zelfs. Twee magere jongens met smalle gezichten, ontsierd door jeugdpuistjes. Hij de ambitieuze dichter, ik de aankomende jazzpianist. En altijd met elkaar in gesprek. Over de wereld, maar vooral over onszelf en de plaats die wij daarin zouden gaan innemen.

Wie hem de laatste jaren van zijn leven bij optredens tijdens festivals of voor de camera’s van de televisie zag en hoorde, zou niet vermoeden hoe verlegen hij vroeger was en, in wezen, bleef. Urenlang kon hij in gezelschap zwijgen, maar van wat er om hem heen gezegd werd ontging hem niets. Dat blijkt ook wel uit zijn werk. In zijn romans en verhalen vond ik gebeurtenissen die ik allang vergeten was terug, tot in de meest minutieuze details beschreven. Niet alleen beschreven, maar ook verwerkt in nieuwe verhalen die het autobiografische ontstegen.

Aan autobiografie had hij van meet af aan een hekel. Ik doe er niet toe, zei hij vaak. Het gaat om de tekst. Een tekst om in te verdwijnen. Over verdwijnen sprak hij vaak. Niet dat hij voor iets wilde vluchten. Eerder het tegendeel. Het grootste deel van zijn leven bracht hij achter zijn schrijftafel door. Hij was wat dat betreft een echte huismus. En als hij op reis ging werd hij besprongen door angst. Tijdens zo’n reis controleerde hij compulsief en keer op keer of hij zijn reisbescheiden wel bij zich had. Hij droomde niet vaak, dat zei hij tenminste. Maar een steeds terugkerende droom was die waarin hij reisleider van een groot gezelschap was en geconfronteerd werd met kleine en grote rampen. Er misten mensen, de hotels waren vol, het schip maakte zich net van de kade los en daar stond hij met de reisgenoten voor wie hij de verantwoordelijkheid had,  gestrand in een land waarvan hij de taal niet sprak. Al had hij het er niet over, ik had het gevoel dat hij zich overal een vreemdeling voelde. In veel van zijn vroege romans komen waarnemers voor die als buitenstaander tegen de werkelijkheid aankijken, niet in staat haar te doorgronden.

Hij zei dat hij jaloers op mij was, dat ik leefde zoals het moest, al improviserend. Ik schrijf omdat ik niet kan leven, was zijn enigszins kokette uitspraak. Als ik dan verder vroeg zei hij dat hij altijd twijfelde, niet zozeer aan zijn talent, maar aan het nut van het schrijven. Je kunt beter leven. Die gemoedsgesteldheid, waar ik zoeven over sprak, was er een van een alles beheersende melancholie, die hij bij de meeste van zijn vrienden en kennissen verborg achter een masker van grappen en grollen. We spelen allemaal toneel, zei hij. Schrijven was voor hem het aanstippen van wat er zich achter die maskers afspeelde. Aanstippen, niet expliciteren. Hij bewonderde een schrijver als Tsjechov om zijn understatement.

Misschien had hij van de nood een  deugd gemaakt en was hij bang voor heftige emoties en ontboezemingen. Hij wantrouwde bloemrijk taalgebruik en veroordeelde veel schrijvers, niet altijd terecht, van hoogdravende taal, die hij zag als loos gepronk. Tegelijkertijd keek hij op tegen auteurs die in staat waren omvangrijke romans met diep gravende psychologische portretten te schrijven. Dat zijn de echte symfonisten, zei hij. Zelf  ben ik een componist van kamermuziek. Meer dan vierstemmig zit er bij mij niet in.

Naarmate hij ouder werd, werd zijn stijl steeds beknopter, zijn romans korter. Dit minimalisme werd niet door iedereen gewaardeerd, maar van kritiek trok hij zich niet veel aan. Alleen tegen zijn persoon geuite kritiek, vaak door critici die hij niet eens kende, bracht hem van zijn stuk. Misschien omdat hij bovenal aardig gevonden wilde worden, een eigenschap waar ik mij wel eens aan ergerde. Toen ik hem er een keer naar vroeg, waar die behoefte toch vandaan kwam, dacht hij lang na en zei toen: het komt door mijn opvoeding. Conflicten werden bij ons thuis verdoezeld of bijgelegd  voordat ze tot uitbarsting konden komen. Er bestond een verbod op ruzie in onze familie. Zo heb ik nooit geleerd voor mezelf op te komen. Ieder mens heeft een gezonde portie agressie nodig.

Henk was niet de enige schrijver bij wie levensangst de drijvende motor was. Nee, levensangst misschien niet in de eerste plaats, maar de angst de controle over zijn leven te verliezen. Hij zat nog altijd vol plannen en projecten waar hij heel gedisciplineerd aan werkte. Ieder mens streefde volgens hem naar ordening. Dat bewonderde hij ook zo in de muziek van Bach. De strenge vorm, de gelijkelijk over de hele compositie verspreide emotie.

Na het enorme succes van zijn roman over de ziekte van Alzheimer ontwikkelde hij een obsessieve fascinatie voor het fenomeen van de herinnering. Hij las ieder boek over het menselijk brein dat hij te pakken kon krijgen. In zijn laatste roman, Onbewaakt ogenblik, betwijfelt de hoofdpersoon – bij hoge uitzondering in zijn werk een schrijver –  het bestaan van zijn herinneringen. Waren het niet slechts taalconstructies waarin de originele herinneringen voorgoed waren zoekgeraakt?

Nu is er een eind aan die stroom publicaties gekomen. ‘Iedere schrijver sterft midden in een zin’, zei hij kort voor zijn dood, met een glimlach om de lippen. Het besef van vergankelijkheid was bijna zijn tweede natuur geworden.

Toen ik door zijn nagelaten papieren bladerde vond ik daar een verhaal dat Na mijn begrafenis heette. Bij leven hadden we het nooit over zijn begrafenis gehad. Het had geen zin om over de dood te spreken, zei hij, want waar ik ben is de dood niet en waar de dood is ben ik niet. Een sluitende dooddoener. Maar hij had er dus toch over nagedacht en geschreven.

Het is een merkwaardig verhaal over een man die na zijn dood tot de ontdekking komt dat hij wel degelijk verder leeft.

Tot slot wil ik u een aantal passages uit dat verhaal voorlezen.

NA MIJN BEGRAFENIS
Na mijn begrafenis – een gebeurtenis die ik me niet meer tot in alle details herinner - hoorde ik in de koffiekamer van het in een zeezieke groene tint geschilderde crematorium Lucille en Jaap, een pasgetrouwd stel en vrienden van mijn zoon Marcel, opmerken dat hij ( ik dus) in gedachten bij hen zou blijven. En niet alleen zij, ook veel anderen zouden zich mij regelmatig te binnen brengen zeiden ze. ‘Zo leeft een mens nog een hele tijd door’, had Jaap vol overtuiging en enthousiast knikkend tegen zijn roodharige Lucille beweerd.

Natuurlijk is dat de dooddoener ( een passend woord in dit verband) waarmee nabestaanden zin proberen te geven aan iemands definitieve verdwijning. Niemand gelooft er echt in, Jaap die in de geldhandel zit al helemaal niet, maar zoiets hoor je nu eenmaal te zeggen of tenminste te denken na een begrafenis, vooral als het buiten regent en de wind de herfstbladeren langs de grafzerken jaagt.

In het begin vond ik het niet eens gek dat ik dit allemaal kon denken. Wie of wat dat denken dan ook vertegenwoordigde. Totdat de consequentie ervan in volle omvang tot mij – of wat er dan ook van mij over was na mijn begrafenis – begon door te dringen: ik bleef dus op de een of andere manier doorleven, los van mijn stoffelijk omhulsel. Dat is niet helemaal juist uitgedrukt: ik voelde mij – astraal of anderszins – slechts aanwezig op die momenten dat iemand die nog in leven was een gedachte aan mij wijdde, hardop uitgesproken of in stilte. Van wie die gedachten afkomstig waren of waar zij werden gedacht of uitgesproken bleef voor mij een raadsel, maar hun inhoud kwam als met radiogolven bij mij ‘binnen’.

(...)
  
Naarmate ik langer dood was, alhoewel dit begrip ‘langer’ mij nu inhoudsloos voorkwam, in mijn astrale bestaan was geen ruimte meer voor zoiets als tijd, alle  begrippen waarmee mijn bewustzijn de werkelijkheid had vormgegeven waren verdwenen om plaats maken voor deze naamloze absentie. De frequentie van aan mij gewijde gedachten nam af, al kon ik die frequentie niet op zoiets als een tijdlijn uitzetten. In die gedachteloze periodes was ik geheel afwezig ( en volstrekt gelukkig moet ik daar aan toevoegen) om pas weer gewekt te worden als iemand aandacht aan mijn vroegere bestaan besteedde

(...)

Steeds sterker werd mijn verlangen naar rust, naar het moment waarop niemand meer aan mij zou denken.

(...)

Gelukkig begon het steeds stiller om mij heen te worden en kon ik mij verder vermeien in mijn niet -  bestaan. Deze toestand kwam beter overeen met zoals ik mij de dood tijdens mijn leven had voorgesteld. Alles hield met het doven van het bewustzijn op. Tot plotseling ( wat doet dat woord hier?) een gedachte van iemand over mijn lippen bij mij naar binnenglipte. Bij wijze van spreken dan. Hoe zij mijn lippen had gezocht en ze tenslotte na een lange periode van starend verlangen had gevonden. Die gedachte, met bijna de kracht van een beeld, moest van een vrouw afkomstig zijn. Niet van Ellen, die was dood. Een andere vrouw die ik eens, heel vroeger, gekust had? Ik wist het niet meer. Maar de zender van die gedachte keerde terug, met steeds intiemere details. Over het moedervlekje vlak boven mijn navel. Hoe ik haar kleine borsten streelde, met mijn handen achter mijn hoofd toekeek hoe zij zich schuchter voor mij uitkleedde. Waar? Wanneer? Een streep licht op een plint die zo gauw ik ernaar wilde kijken alweer oploste in het niets. Ergens op de wereld zat een vrouw die nu ook oud moest zijn aan mij als haar vroegere minnaar te denken.

Ik ontkwam er niet aan naar die gedachten, die voor mij verklankt werden door een gevoileerde vrouwenstem, te gaan verlangen. Het leek alsof ik hoop putte uit die onzichtbare en onbekende minnares. Ik probeerde mij haar gezicht voor de geest te halen. Maar had ik nog wel een geest? En als ik die nog had, was het dan niet het werk van die geest die louter wensdromen in de leegte projecteerde? Nu het niet meer nodig en zinloos was. Was dit misschien wat mensen vroeger de hel hadden genoemd, de onmogelijkheid je los te maken van het aardse leven, voor altijd gedoemd voort te leven, onderworpen aan de grillen, de gedachten van anderen en het toeval? Dat wilde ik niet.

Ik besloot dat, net als ikzelf, niets buiten mij meer bestond. Dat idee – als het al een idee was- stelde mij tenslotte gerust. Er kwamen geen gedachten meer bij mij binnen, ik was definitief vergeten. Ook zij, liefde van mijn leven, of moet ik zeggen: liefdes van mijn leven, deelde zich niet langer aan mij mee. Zij moest ondertussen gestorven zijn. Wie er ook aan haar moge denken, ik ben het niet.